Onder het motto ‘samen staan we sterk’ verenigen 300 boerenorganisaties uit 15 West-Afrikaanse landen zich om te strijden voor traditioneel zaaigoed, tégen genetisch gemanipuleerde zaden en tegen ‘land en water grabbing’.

In de vorm van een karavaan doorkruisen ze over een periode van 15 dagen West-Afrika en houden ze halt in verschillende West-Afrikaanse steden waar diverse activiteiten plaatsvinden.

16 maart 2016 - Bij de aankomst in Diamniadio is het duidelijk dat de reeds 13-daagse tocht – en de urenlange (door files) busreis vanuit Kaolack – zijn tol eist van de ‘karavanisten’. In schril contrast met de suffe gezichten en glazige blikken van de reizigers bij het verlaten van de bus, staat echter wel het levendig onthaal van de vrouwen uit Thiès en Diamniadio.

Met trommels, gezang, brede glimlachen en uitbundige dansbewegingen zetten zij de bijeenkomst in gang. Echt geweldig! De eerdergenoemde tekenen van vermoeidheid zijn plots als sneeuw voor de zon verdwenen, want op deze ritmische melodie is stilstaan haast onmogelijk!

De ‘karavanisten’ (respectievelijk 1-5 vertegenwoordigers per West-Afrikaans land) nemen hierna opgewekt plaats onder de reeds opgezette tenten, om één voor één de problematiek in eigen land, kort toe te lichten.

Een gemeenschappelijke strijd

Sinds de voedselcrisis (2007-2008) en de oliecrisis (2008-2009) is West-Afrikaanse landbouwgrond zeer gegeerd! In Senegal is er bijvoorbeeld in een periode van 10 jaar naar schatting 650.000 hectaren verkocht of verpacht aan 17 nationale en buitenlandse privéondernemingen. Een lap grond die overeenstemt met 16 % van de totaal bebouwde landbouwgrond.

Voornamelijk de Golfstaten en Oost-Azië namen door de voedselcrisis hun toevlucht tot buitenlandse landbouwgrond. Door de aankoop of pacht van Afrikaanse percelen kunnen deze landen namelijk de schommelende voedselprijzen en -stromen ontzien, waarmee ze tegelijkertijd hun torenhoge ‘importrekening’ terugdringen en nationale voedselzekerheid garanderen.

Landbouwgronden in privéhanden

De oliecrisis resulteerde op zijn beurt in de zoektocht naar alternatieve brandstoffen. Veel bedrijven richtten zich op de productie van biobrandstof en kochten hiervoor massaal Afrikaanse landbouwgronden aan, omdat hier de geschikte gewassen (zoals maïs en oliepalm) groeien.

De grote vraag naar Afrikaans land is bovendien toe te schrijven aan het feit dat de nationale, provinciale of lokale overheden grond tegen te lage bedragen verkopen of onder - voor de multinationals - voordelige voorwaarden verpachten.

Internationale instanties, waaronder de Wereldbank en het IMF, treft hier ook schuld. In de naam van ‘ontwikkeling’ en met zicht op grote infrastructuurwerken, het behoud van werk of de creatie van jobs weten zij Afrikaanse overheden te overtuigen met privéondernemingen in zee te gaan.

In de harde realiteit verloopt ‘land grabbing’ dat gepaard gaat met ‘water grabbing’ – wie land koopt heeft ook een waterbron nodig om het te kunnen bewerken – lichtjes anders. Veel investeerders komen immers hun initiële beloftes betreffende technologische vernieuwing en job behoud en/of creatie niet na. Bovendien worden lokale boerfamilies dikwijls onteigend zonder enige vorm van vergoeding door de staat en verliezen ze naast hun land ook hun bron van inkomsten/voedsel.

Genetisch gemanipuleerd zaaigoed

Naast de problematiek van ‘land en water grabbing’ is er ook dat van genetisch gemanipuleerd zaaigoed. Multinationals die handelen in zaaigoed creëren een monopolie door kleinere zaadbedrijven op te kopen, nieuwe groentenrassen te ontwikkelen en deze te laten patenteren.

Dit zaaigoed rendeert maar als je ook het bijhorende pakket synthetische meststoffen en pesticiden gebruikt. Bepaalde groentenvariëteiten kunnen hierdoor enkel tegen betaling gekweekt worden en de kennis en expertise over traditioneel zaaigoed komt in het gedrang. Daarenboven betreft het niet-reproductieve zaden waardoor de lokale boer verplicht is om steeds nieuwe zaden aan te kopen en dus niet meer autonoom kan werken.

De West-Afrikaanse veehoeders, landbouwers en vissers bundelen om deze redenen hun krachten. Ze maken met de karavaan duidelijk dat ze het niet eens zijn met het privatiseren van gemeenschapsgoederen zoals land, water en zaaigoed.

Ma terre, (c’est) ma vie!

‘Ma terre, ma vie!’ brullen de vrouwen tijdens de bijeenkomst! Wat de gehele kwestie krachtig samenvat! Het zijn zij die vandaag een prominente rol spelen, aangezien zij voornamelijk de nefaste gevolgen dragen van privatisering van land, water en zaaigoed.

Vrouwen maken 60 % van de agrarische arbeidskrachten uit in Sub-Sahara Afrika. Zij ontfermen zich over 80 %-90 % van de verwerking van de gewassen, wieden het onkruid en zorgen voor de opslag, het transport en de verkoop van groenten en fruit. Ondanks hun substantiële bijdrage op en naast het veld, worden vrouwen in West-Afrika tot op de dag van vandaag gediscrimineerd op vlak van grond- en erfrechten.

Ondanks het bestaan van progressieve wetgeving geldt, vooral in ruraal gebied, het gewoonterecht waarbij grond enkel wordt doorgegeven aan mannelijke familieleden. Vrouwen bezitten hierdoor bijna geen grond en hebben dus geen controle over wat ermee gebeurt.

Met de komst van multinationals die grote stukken grond opkopen, komt echter wel eerst de vrouw haar werkzekerheid en levensonderhoud in het gedrang en worden ze nog afhankelijker van hun mannelijke familieleden.

De karavaan ging op 4 maart 2016 van start in Ouagadougou (Burkina Faso) en bereikte haar eindbestemming Dakar (Senegal) op 18 maart 2016. De ‘karavanisten’ overhandigden hier, tijdens de slotceremonie, hun ‘eisenpakket’ betreffende hun recht op land, water en zaad aan de Senegalese Minister van Afrikaanse Integratie. De strijd gaat onverminderd voort!