19 februari 2013 - Inspraak en vrede - Congo - Nadia Nsayi

Sinds de jaren ’90 wordt de regio van de Grote Meren in Centraal-Afrika geconfronteerd met één van de bloedigste conflicten op het continent, en zelfs wereldwijd. Het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) vormt al meer dan 15 jaar het decor voor gewapende conflicten tussen binnen- en buitenlandse actoren die vaak ook betrokken zijn bij de illegale exploitatie en handel van bodemrijkdommen.

De burgerbevolking is het grootste slachtoffer van deze conflicten: meer dan 5 miljoen mensen kwamen om het leven, direct of indirect ten gevolge van het geweld. Bijna een half miljoen burgers vluchtten het land uit en 2 miljoen mensen moesten hun huizen verlaten. Verder is er sprake van grootschalige schendingen van mensenrechten en van het internationaal humanitair recht, veelvuldig gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen, kinderen èn mannen als oorlogswapen, rekrutering van kindsoldaten enz. Door de conflictsituatie stuikten de politieke, economische en sociale structuren grotendeels in elkaar. Ondanks de hulp van de internationale gemeenschap krijgt de Congolese staat de volatiele veiligheidssituatie, het klimaat van straffeloosheid en de humanitaire catastrofe niet onder controle.

Volkerenmoord in Rwanda (1994)

In april 1994 komen de Rwandese en Burundese presidenten bij een aanslag op hun vliegtuig om het leven. Dit is het startsein voor het begin van de genocide in Rwanda waarbij militairen van het Rwandese leger (Forces Armées Rwandaises) en Interahamwemilities (beiden voornamelijk Hutu’s) zowel Tutsi-burgers als Hutu-tegenstanders vermoorden. Tegelijk voeren de rebellen van het FPR (Front Patriotique Rwandais, voornamelijk Tutsi’s) een aanvalsoorlog uit op Rwanda, waarbij ook vele Hutu en Tutsi-slachtoffers vallen.

Wanneer de FPR-troepen eind juni 1994 het land zo goed als volledig dreigen in te nemen, vluchten vele honderdduizenden (vooral) Hutu’s, onder begeleiding van de internationale gemeenschap (VN-troepen), naar de Kivu-streek in Oost-Zaïre (nu Congo). Onder de vluchtelingen bevinden zich vele gewone burgers, maar ook leden van het FAR en de milities die zich hebben bezondigd aan de gruwelijke moordpartijen in hun thuisland. De komst van deze zogenaamde ‘génocidaires’ in een gebied met een aanzienlijke Tutsi-bevolking, militariseert de vluchtelingenkampen en wordt al snel een destabiliserende factor voor de fragiele Zaïrese staat en de hele regio van de Grote Meren.

Eerste oorlog in Zaïre (1996-1997)

Ondertussen kwam in Rwanda het FPR aan de macht, met Paul Kagame als belangrijkste figuur. In oktober 1996 valt de alliantie AFDL (Alliance des Forces Démocratiques pour la Libération du Congo-Zaïre), gesteund door Rwanda, Oeganda, Burundi en – in een latere fase - Angola Oost-Zaïre binnen. De woordvoerder van deze alliantie is de Katangese Congolees Laurent-Désiré Kabila, rebel en opposant van het Mobutu-regime. Tijdens de opmars van de militaire alliantie worden de kampen met de Hutu-vluchtelingen ontmanteld. Met weinig tegenstand van het zwakke Zaïrese leger verovert de alliantie de belangrijkste steden op haar pad en neemt uiteindelijk de hoofdstad Kinshasa in. In mei 1997 vlucht president Mobutu het land uit, waarna Kabila zichzelf uitroept tot de nieuwe president van de ‘Democratische Republiek Congo’.

Tweede oorlog in Congo (1998-2002)

In 1998 komt het tot een breuk tussen president Kabila en zijn vroegere bondgenoten. In augustus vallen Rwanda en Oeganda opnieuw Oost-Congo binnen. Deze nieuwe oorlog leidt tot de balkanisering van het Congolese grondgebied en wordt, door de betrokkenheid van verscheidene Afrikaanse actoren (nationale legers en rebellengroepen), de ‘Eerste Afrikaanse wereldoorlog’ genoemd. Congo krijgt hulp van bondgenoten Angola, Namibië en Zimbabwe. Rwanda, Oeganda en Burundi bieden steun aan twee nieuwe rebellengroepen: RCD (Rassemblement Congolais pour la Démocratie) en MLC (Mouvement pour la Libération du Congo, o.l.v. Jean-Pierre Bemba), die respectievelijk het oosten en het noorden van het land controleren. Ondertussen blijven ook de zogenaamde lokale Maï-Maï-milities en de FDLR (Forces Démocratiques de libération du Rwanda), de restanten van het oude Rwandese regime en opposanten van het nieuwe regime, militair actief in de regio.

Vredesakkoorden van Lusaka (1999) en Sun-City (2002)

In juli 1999 tekenen binnen- en buitenlandse gewapende partijen vredesakkoorden in Lusaka (Zambia). Het militaire luik voorziet een staakt-het-vuren, de neutralisering van negatieve krachten, de terugtrekking van alle buitenlandse troepen (vijanden en bondgenoten) en de komst van een VN-vredesmacht. Het politieke luik omvat het opstarten van een Intercongolese dialoog en het herstel van de staatsautoriteit over het gehele grondgebied. Al snel blijkt dat de aanwezigheid van de VN-vredesmissie MONUC (Mission de l’Organisation des Nations Unies en République Démocratique du Congo), goed voor het grootste aantal VN-blauwhelmen ter wereld in één missie, geen einde maakt aan de gevechten.

In januari 2001 wordt president Kabila vermoord en opgevolgd door Joseph Kabila. De jonge president zorgt voor een versoepeling van de relaties tussen Congo en de internationale gemeenschap. Hij aanvaardt een Intercongolese dialoog die in december 2002 tot de ondertekening van vredesakkoorden in Sun City (Zuid-Afrika) leidt.

Overgangsperiode en verkiezingen (2003-2006)

Het Sun City-akkoord betekent officieel het einde van de oorlog en legt de basis voor de overgangsperiode. De transitie start in juni 2003 en wordt gekenmerkt door machtsdeling tussen president Kabila, vier vice-presidenten (vertegenwoordigers van gewapende en niet-gewapende groepen) en de civiele maatschappij. De hoofddoelstellingen van de overgang zijn de eenmaking en pacificatie van het land, de vorming van een nationaal leger en de installatie van een democratische politieke orde na verkiezingen.

Met de hulp van internationale donoren (o.a. België) en Afrikaanse landen (Zuid-Afrika, Angola) start Congo met de vorming van geïntegreerde brigades voor het nieuwe nationale leger: Forces Armées de la République Démocratique du Congo (FARDC). De zwakte van dat leger wordt zichtbaar wanneer dissidente militairen, waaronder Laurent Nkunda, onder het oog van de VN-blauwhelmen in 2004 de provinciehoofdstad Bukavu (Zuid-Kivu) innemen.

Na de goedkeuring bij referendum van de nieuwe grondwet, kent de transitie in 2006 een hoogtepunt met de organisatie van de eerste vrije presidents-, parlements- en provinciale verkiezingen in meer dan 40 jaar (lokale verkiezingen worden uitgesteld). Het verkiezingsproces wordt mee mogelijk gemaakt door de massale steun van internationale donoren, waaronder de Europese Unie. Na een tweede stemronde komt de zittende president als overwinnaar uit de bus.

Begin van Derde Republiek (2006-2011)

CNDP van Laurent Nkunda en Bosco Ntaganda

De start van de Derde Republiek, bij de eedaflegging van president Kabila op 6 december 2006, luidt helaas niet het einde in van de lange lijdensweg van de Congolese bevolking. Binnen- en buitenlandse rebellengroepen blijven actief in Oost-Congo. Al snel breken in de Kivu-provincies nieuwe gevechten uit tussen het regeringsleger en de rebellengroep CNDP (Congrès pour la Défense du Peuple) van de dissidente Generaal Laurent Nkunda (ex-RCD/Goma). Hij profileert zich als de beschermheer van de Congolese Tutsi’s. In de loop van 2007 faalt de zogenaamde ‘mixage’, een poging om Nkunda’s rebellen, buiten het brassageproces, in het nationale leger te integreren.

Wanneer in januari 2008 in Goma (Noord-Kivu) een conferentie voor vrede, veiligheid en ontwikkeling in de Kivu’s plaatsvindt, laait de hoop op vrede voor de regio op. De conferentie resulteert in de ondertekening van een vredesakkoord (Acte d’Engagement) door de Congolese regering, het CNDP en andere strijdende partijen (Maï Maï, PARECEO, …). De uitvoering van het akkoord komt onder toezicht van het Amani-programma, dat later wordt opgevolgd door het plan STAREC (Plan de Stabilisation et Reconstruction de l’Est du Congo).

In de loop van dat jaar verlaat het CNDP het vredesproces, en wanneer de rebellen in oktober een belangrijke militaire basis in Noord-Kivu in beslag nemen, escaleert het conflict. Tienduizenden mensen slaan op de vlucht. Het offensief van het CNDP brengt de rebellen, met nauwelijks tegenstand van de regeringssoldaten en de blauwhelmen, tot aan de poort van de provinciehoofdstad Goma.

Onder druk van de internationale gemeenschap en na de publicatie van een VN-rapport waarin Rwanda beschuldigd wordt van steun aan het CNDP, komt een alliantiewissel in de regio: Kinshasa en Kigali zoeken diplomatieke toenadering tot elkaar. Deze heeft gevolgen voor de top van het CNDP. Begin januari wordt Laurent Nkunda opzij gezet, gevangen genomen in Rwanda en vervangen door Bosco Ntaganda, tegen wie een internationaal aanhoudingsbevel loopt sinds 2006.

Congolese regering en CNDP tekenen de vredesakkoorden van 23 maart 2009. Het akkoord houdt onder meer in: integratie van CNDP binnen het nationale leger (FARDC) en de politie (PNC), terugkeer van Congolese vluchtelingen uit Rwanda, CNDP deelname aan de militaire operaties tegen het FDLR en de omvorming van CNDP tot een politieke partij. In december 2010 geven ze ook officieel hun steun aan de meerderheid rond president Kabila. Een tactische zet met het oog op verkiezingen in 2011?

Militaire operaties tegen FDLR

Daarnaast heeft de alliantiewissel een ander gevolg. In het kader van het Nairobi communiqué (getekend in 2007 ter bestrijding van het FDLR) starten Congo en Rwanda in januari 2009 de verrassende militaire operatie ‘Umoja Wetu’  tegen de Hutu-rebellen in Noord-Kivu. Na de officiële terugtrekking van het Rwandese leger worden de operaties voortgezet onder de naam ‘Kimia II’ in Zuid-Kivu, ditmaal met de logistieke steun van MONUC. Na kritiek over de schendingen van mensenrechten, koppelt de vredesmissie haar steun aan FARDC-eenheden die zich niet bezondigen aan mensenrechtenschendingen. Begin 2010 lanceert Congo een nieuwe operatie: ‘Amani Leo’ in Noord- en Zuid-Kivu. In datzelfde jaar, waarin Congo zijn vijftigste onafhankelijkheidsverjaardag herdenkt, wordt de VN-vredesmacht omgedoopt in MONUSCO (Mission de l’Organisation des Nations Unies en RD Congo).

In 2011 wordt Amani Leo verder gezet. De militaire operaties hebben vooral een negatieve impact op de situatie van de burgerbevolking en leiden niet tot ontmanteling van het FDLR. Bovendien stellen we vast dat de integratie van de CNDP-militairen in het Congolese regeringsleger moeizaam verloopt, onder meer omdat de ‘geïntegreerde’ rebellen hun vroegere administratie en bevelstructuren behouden. Het zwakke Congolese leger wordt nog steeds logistiek gesteund in zijn operaties door MONUSCO (sinds juli 2010), weliswaar onder strengere voorwaarden.

Tweede legislatuur (2012-2016)

Parlementaire en presidentsverkiezingen in 2011

In maart 2011 zijn de voorbereidingen van de verkiezingen nog in een beginfase. Acht maanden later bevindt Congo zich in de campagneperiode. Na een snelle en vaak slordige voorbereiding slaagt de Congolese nationale kiescommissie (CENI) erin verkiezingen te organiseren op de afgesproken datum. Op 28 november trekken meer dan 18 miljoen kiezers (58% van de geregistreerde personen) naar de stembus om een president en 500 parlementsleden (Kamer) te verkiezen.

Ditmaal financiert de Congolese overheid grotendeels (80%) de verkiezingen. Het kamp van uittredend president Joseph Kabila controleert het verkiezingsproces sterk. Een voorbeeld hiervan is de snelle grondwetsherziening in januari 2011. Het Congolese parlement werd toen gemobiliseerd om het kiessysteem voor de presidentsverkiezingen terug te brengen tot één stemronde. Officieel gebeurde dit om budgettaire redenen, maar in feite was het een manier om Kabila’s herverkiezing te vergemakkelijken. Een ander ‘manoeuvre’ is de uitsluiting van het Congolese middenveld binnen de kiescommissie. Nu zetelen er zeven vertegenwoordigers van politieke partijen onder leiding van Daniel Ngoy Mulunda. Hij staat bekend als een vertrouweling van Kabila en zijn partij. De media, het gerechtelijk- en het veiligheidsapparaat worden ook gebruikt ten voordele van de presidentskandidaat van de meerderheid.

In december 2011 wordt Joseph Kabila tot winnaar van de presidentsverkiezingen uitgeroepen. Hij behaalt 48,95%. Zijn rivaal en opposant Etienne Tshisekedi (UDPS4) is tweede met 32,33%. Voormalig Kamervoorzitter Vital Kamerhe eindigde op de derde plaats met 7,7%. Uit de officiële resultaten blijkt dat de verkiezing vooral een strijd was tussen twee kandidaten. Kabila (uit Katanga) wint in de Oostelijke provincies, terwijl Tshisekedi (uit Kasai) in het Westen en in het Centrum eerste eindigt. In de Kivu’s staat Kabila op kop, maar in vergelijking met 2006 verliest hij er veel aan populariteit ten voordele van zijn vroegere bondgenoot Kamerhe (uit Zuid-Kivu). De ‘Kivutiens’ zijn teleurgesteld in Kabila’s beleid op vlak van vrede en veiligheid en socio-economische vooruitgang.

In februari volgt de publicatie van de voorlopige resultaten van de parlementsverkiezingen. De partij van Kabila (PPRD) wint ook deze verkiezingen. UDPS werd de tweede grootste partij. De belangrijkste oppositiepartijen verwerpen de resultaten van de verkiezingen. UDPS beschouwt zijn 79-jarige leider, die al weken onder huisarrest leeft, als de verkozen president op basis van de originele processen verbaal. Het Tshisekedi-kamp roept zijn verkozen kandidaten op om niet te zetelen in het nieuwe parlement. Toch behoudt PPRD via oude en nieuwe allianties een parlementaire meerderheid. In april wordt Aubin Minaku (PPRD) de nieuwe voorzitter en wordt ontslagnemende minister van Financiën, Augustin Matata, benoemd tot eerste minister. 
 
In lijn met de internationale observatoren van het Amerikaanse Carter Centrum en de Europese Unie bekritiseren Congolese middenveldorganisaties (ngo’s, bisschoppenconferentie, media) het gebrek aan transparantie van de verkiezingen. Bij de bevolking leeft ontgoocheling over deze gang van zaken. Ze dreigt haar geloof in het verkiezingsproces te verliezen omdat ze denkt dat haar stem niets verandert aan haar levensomstandigheden.

De huidige (post-)electorale periode is verontrustend. Ondanks de officiële electorale winst komt het Kabila-kamp verzwakt uit de recente verkiezingen. Kabila heeft een probleem van politieke legitimiteit als gevolg van het verkiezingsproces dat als ongeloofwaardig bestempeld wordt.

Een zittende president die door een belangrijk deel van de bevolking, het middenveld en het politieke landschap niet als legitiem erkend wordt, is een factor van frustratie, contestatie en instabiliteit op sociaal en politiek vlak. En in een fragiele staat met conflictregio’s, gewapende groepen en een groeiende ontevredenheid binnen het nationale leger is er zelfs een verhoogd risico op militair vlak. De legitimiteitscrisis vormt een ernstig gevaar voor de nationale eenheid, de prille democratie en de fragiele vrede in Congo op korte, middellange en lange termijn.

De ‘slecht verkozen’ Kabila legt op 20 december de eed af. Mugabe is de enige staatshoofd die deelneemt aan de plechtigheid. Kabila staat voor de grote uitdaging om op korte termijn zijn interne legitimiteit, zijn internationale reputatie en de geloofwaardigheid van het verkiezingsproces te herstellen en de mensenrechten- en veiligheidssituatie te verbeteren. Vervolgens moet hij een echt socio-economisch beleid uitwerken ten voordele van de bevolking. De vraag blijft of hij de politieke wil heeft om deze uitdaging aan te gaan en hiervoor de ruimte zal krijgen van zijn Congolese entourage en buitenlandse bondgenoten. Indien Kabila de uitdaging niet aangaat, zal hij zoals bepaalde Afrikaanse staatshoofden, zichzelf meer en meer isoleren en zal hij alleen nog door middel van autoritaire praktijken de macht trachten te behouden.

Begin juni heeft de nationale kiescommissie (CENI) de nieuwe kalender voor de tweede fase van het verkiezingsproces voorgesteld. De provinciale verkiezingen zijn gepland op 25 februari 2013, de Senaatsverkiezingen op 5 juni en de gouverneursverkiezingen op 22 juni. De lokale verkiezingen worden naar 2014 verplaatst. Het netwerk van Congolese ngo’s (AETA) maakte een technische analyse van de kieskalender.

Ondertussen zetelt het grootste deel van de parlementsleden van de oppositie. Zij kunnen een woordvoerder aanstellen. Het gaat om een officiële functie voorzien in de grondwet. Het is afwachten of de oppositie erin zal slagen om tijdens deze legislatuur een consensusfiguur te vinden. Er is al een strijd aan de gang tussen het UDPS en geallieerden (Tshisekedi-kamp) en het UNC en geallieerden (Kamerhe-kamp).

Nieuwe rebellengroep M23

Begin februari verklaart de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders in het parlement dat ons land voorstander is van de aanhouding van Bosco Ntaganda en zijn uitlevering aan het Internationaal Strafhof. Deze positie herhaalt hij tijdens zijn eerste bezoek aan Kinshasa in maart. Hij is dan de eerste Europese minister die een bezoek brengt aan het leden. De publieke opinie interpreteert dit als een legitimering van Kabila.

Veel geruchten doen de ronde over een mogelijke arrestatie van Ntaganda. Tot nu toe heeft de Congolese overheid steeds geweigerd om hem aan te houden. Maar door de verhoogde druk verklaart Kabila voor het eerst dat er redenen zijn om de CNDP-leider te arresteren.

De internationale druk en de veranderde positie van Kinshasa, veroorzaakt zenuwachtigheid bij CNDP. Begin april verlaten CNDP-militairen en aanhangers van generaal Bosco Ntaganda hun posities binnen het nationale leger. Door gevechten tussen CNDP en FARDC loopt de veiligheidssituatie uit de hand en komt een nieuwe vluchtelingenstroom op gang gekomen.

Begin mei richten voormalige CNDP-militairen, die geïntegreerd waren in het Congolese leger (FARDC), een nieuwe politiek-militaire beweging op: Mouvement du 23 mars (M23). Hiermee willen de initiatiefnemers de vredesakkoorden tussen CNDP en Kinshasa (23 maart 2009) nieuw leven inblazen. Ondertussen gaat het regeringsleger moeizaam de strijd aan tegen M23 in de regio Rutshuru (Noord-Kivu).
Later verovert deze nieuwe rebellengroep belangrijke steden zoals Bunagana en Rutshuru. Ze dreigen ermee om de provinciehoofdstad Goma in te nemen. MONUSCO en FARDC proberen dit tegen te houden door extra manschappen te sturen.

Eind juni staaft een rapport van de VN-expertengroep bewijzen over de steun van de Rwandese overheid aan M23 en andere rebellengroepen in Oost-Congo. Kigali ontkent dit met klem. De diplomatieke relaties tussen Congo en Rwanda gaan snel verzuren. 
Het Congolese middenveld en de regering vragen de veroordeling van Rwanda en kanten zich sterk tegen de ‘balkanisering’ van Congo. De internationale gemeenschap (VN- en EU-leden, MONUSCO, enz.) roept de M23 op om de wapens neer te leggen.

Als reactie op het VN-rapport schorten donoren hun hulp aan Rwanda (tijdelijk) op. Het gaat om de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Nederland en Zweden. Didier Reynders plant (voorlopig) geen bilaterale sancties tegen Rwanda. Van 19 tot 26 augustus bezoekt Reynders Congo en Rwanda. Hij verhoogde de druk op Kigali op bij te dragen tot een staakt-het-vuren.

Begin juli bereiken de lidstaten van de Internationale Conferentie voor de Regio van de Grote Meren (CIRGL) een akkoord over de komst van een ‘internationale neutrale troepenmacht’ om de M23 en de FDLR te bestrijden. Latere bijeenkomsten brengen echter geen duidelijkheid over de modaliteiten van de troepenmacht.

Terwijl de internationale aandacht en militaire operaties volledig gericht is op de M23, richten de andere milities zoals FDLR en Raia Mutomboki een dodelijke ravage aan in de Kivustreek.