Parallel met de VN-Klimaattop vindt deze week in Lima een alternatieve top plaats waarop sociale organisaties uit heel Latijns-Amerika elkaar ontmoeten. Ruim drieduizend mensen woonden maandagavond de openingsceremonie bij.

Het doel van de top: de stemmen laten horen die op de officiële klimaatconferenties doorgaans geen forum krijgen, én uitwegen zoeken uit de systeemcrisis. Woensdag, op de Internationale Mensenrechtendag, staat een Mars voor Moeder Aarde gepland door de Peruaanse hoofdstad.

Was het maandag overdag nog rustig op en rond de alternatieve top, dan zal het toeterende verkeer in hartje Lima dinsdagochtend niet naast de aankomst kunnen gekeken hebben van de 300-koppige delegatie van activisten en boeren uit Cajamarca, Noord-Peru. Met een driedaagse tocht vanuit de bergmeren van de provincie Celendin wilden ze hun verzet tegen het goudmijnbouwproject Conga ook in de hoofdstad zichtbaar maken.

Al enkele jaren strijden boerenorganisaties van Cajamarca tegen de uitbreiding van de grootste goudmijn in Latijns-Amerika. Ze vrezen voor de impact van het project op de watervoorziening, landbouw en veeteelt in de streek. Conga is vandaag dan ook het project dat centraal staat in het debat rond mijnbouw in Peru.

In Lima trok de optocht richting het groene Parque de la Exposición waar de top plaatsvindt, om er de delegaties uit andere regio’s van het land te treffen. Het evenement kon nu echt beginnen.

Transitie naar het “goede leven”

Dinsdagnamiddag stond het forum ‘Klimaatverandering en Transities’ op het programma, met in het panel specialisten als José De Echave (Peru), Alberto Acosta (Ecuador), Eduardo Gudynas (Uruguay) en Marco Gandarillas (Bolivia).  

Het centrale onderwerp: welke transities moet Latijns-Amerika waarmaken om de opwarming van de aarde onder controle te houden en tegelijkertijd een betere, meer duurzame en harmonieuze manier van leven uit te bouwen, vertrekkende vanuit de diverse Latijns-Amerikaanse realiteit?

We moeten niet wachten op de rest van de wereld, Latijns-Amerika kan zelf de weg wijzen.

De problemen in verschillende landen in Latijns-Amerika, die voor hun economische groei erg afhankelijk zijn van grondstoffenexport voor de wereldeconomie, zijn bekend: mensenrechtenschendingen, milieuvervuiling, vlucht naar de stad. Maar hoe kunnen die landen concreet de overgang maken naar een ander model, dat beter is voor mens en milieu?

Een groot deel van het antwoord ligt volgens de verschillende experts in een einde aan de ongebreidelde ontginning van grondstoffen. Het Internationaal Energieagentschap becijferde al dat om de opwarming van de aarde onder de 2°C te houden, niet meer dan tweederde van de aangetoonde reserves van fossiele brandstoffen mag geconsumeerd worden tegen 2050.

Het volume aan aardgas en petroleum dat Latijns-Amerikaanse landen vandaag exporteren (en dus ook exploiteren), is veel groter dan wat die landen zelf intern consumeren, stipte Eduardo Gudynas aan. Latijns-Amerika moet volgens Gudynas die massale export dringend maar geleidelijk beginnen afbouwen, waardoor tijd vrijkomt die landen nodig hebben om zelf te investeren in duurzame energiealternatieven, zoals windenergie.

Tegelijkertijd moet er volgens Gudynas een moratorium komen op de ontginning van nieuwe reserves, vooral in het Amazonegebied.

Ook financieel is er ruimte voor een duurzamer beleid: door subsidies af te bouwen voor fossiele brandstoffen (in landen als Ecuador en Venezuela zijn die zeer groot) komt er geld vrij voor investeringen in duurzame alternatieven, en bijvoorbeeld ook voor de uitbouw van degelijk en goedkoop (of zelfs gratis) openbaar vervoer. “We moeten niet wachten op de rest van de wereld”, besloot Gudynas. “Latijns-Amerika kan zelf de weg wijzen, als de politieke wil er is”. Maar net daar wringt vaak het schoentje.

Afhankelijkheid afbouwen

Alberto Acosta, die gedurende een korte periode minister van Mijnbouw en Energie was in de regering van Rafael Correa, is vandaag erg kritisch voor het Ecuadoraanse beleid. De transitie naar het “goede leven” gaat volgens hem over het zichtbaar maken en leren van praktijken die vandaag al bestaan, zoals waarden en voorstellen van inheemse volkeren.

Maar het beleid van de president is contradictorisch op dat vlak en steunt grotendeels op de inkomsten uit ontginning van petroleum, en in toenemende mate ook mijnbouw. De petroleumvoorraden in Ecuador raken op, dus de nood om af te stappen van die afhankelijkheid is groot, benadrukt Acosta. Ook hij pleit voor een afbouw van de massale export en meer investeringen in duurzame energiealternatieven.

Gelijkaardige bezorgdheden waren te horen bij Marco Gandarillas van Broederlijk Delen-partnerorganisatie CEDIB, over het beleid van Evo Morales in Bolivia. Ook daar blijft de overheid steunen op (steeds meer) grondstoffenontginning, hoewel bijvoorbeeld de olie- en aardgasreserves uitgeput raken.

Een andere zorgwekkende tendens vormen volgens Gandarillas de toenemende schendingen van het recht op vereniging en participatie: sociale organisaties en ngo’s worden onderdrukt en tegen elkaar uitgespeeld.

Gandarillas benadrukte dat Bolivia economisch minder afhankelijk moet worden van Brazilië, dat er een moratorium moet komen op exploratie en exploitatie in de Amazone, en dat Bolivia het recht op raadpleging in de praktijk moet toepassen.

José De Echave, ex-viceminister voor milieu en onderdirecteur van onze Peruviaanse partnerorganisatie Cooperacción, sloot het panelgesprek af met de scherpe bemerking dat het de Peruaanse overheid “volledig ontbreekt aan een strategie om klimaatverandering aan te pakken”.

De Echave verwees ook naar de recente afbraak van de milieuwetgeving in het land via een nieuwe wet die investeringen in de mijnbouwsector moet aanmoedigen. Om die reden kreeg Peru maandag op de VN-conferentie de ‘Fossil of the day’-award van Climate Action Network (een 'prijs' voor zwak klimaatbeleid), nadat ook België die bedenkelijke eer al te beurt was gevallen.