Op 29 juni 2016 vertelden 3 directeurs van ontwikkelingsorganisaties uit Haïti bij Broederlijk Delen over de situatie in hun land. Haïti zit momenteel in een politiek woelige periode, nadat de presidentsverkiezingen van 2015 verworpen werden. Een situatie die niet bevorderlijk is voor de ontwikkeling van het land. Wat zijn de uitdagingen waar Haïti vandaag de dag voor staat? Welke rol is weggelegd voor lokale ontwikkelingsorganisaties? En wat kan de internationale gemeenschap voor Haïti doen?

Mensenrechten in het gedrang

“Er zijn in Haïti een heel aantal organisaties die zich inzetten voor mensenrechten,” zegt Jocelyne Colas, directeur van JILAP. “Toch zien we een gebrek aan politieke wil om concrete stappen te nemen om de rechten van de burgers te verzekeren.” Broederlijk Delen werkt in Haïti samen met JILAP (la Commision Nationale Episcopale Justice et Paix d’Haïti). Deze organisatie waakt over schendingen van de mensenrechten. Ze geeft burgers ook vormingen over hun rechten.

De rechten van de Haïtiaanse burgers worden niet voldoende verzekerd, aldus Jocelyne Colas. Het is bijvoorbeeld erg moeilijk voor mensen om een beroep te kunnen doen op de rechtspraak. Heel wat mensen zitten gevangen zonder proces. Ook is er een gebrek aan basisvoorzieningen voor de burgers, zoals gezondheidszorg, onderwijs,… Aan de andere kant heerst er een sfeer van straffeloosheid die geweld en criminaliteit in de hand werkt, vooral in het hoofdstedelijk gebied. Die situatie zorgt voor angst en wantrouwen in het land.

 “De politieke instabiliteit heeft gevolgen voor de economische en sociale rechten van de mensen,” zegt Jocelyne Colas. Als er één recht wordt geschonden (bijvoorbeeld het recht op veiligheid), worden in de nasleep daarvan een heleboel andere rechten ook met de voeten getreden. Met als gevolg dat de levensomstandigheden van de Haïtianen onzekerder worden.

Maatschappij in volle verandering

Jean-Baptiste Chenet is de is de directeur van ITECA (Institut de Technologie et d’Animation), eveneens een organisatie waar Broederlijk Delen mee samenwerkt. ITECA begeleidt boerengroepen om hun levensomstandigheden te verbeteren. Chenet schetste de veranderingen waar de Haïtiaanse maatschappij aan onderhevig is. Ze evolueert steeds meer naar een verstedelijkte samenleving. Bijna 40% van de bevolking woont intussen in het gebied rond de hoofdstad. Bovendien heeft het land een heel jonge bevolking: 60% van de Haïtianen is jonger dan 20 jaar. Dat biedt kansen maar ook grote uitdagingen. En er is vooral een sterk beleid nodig om dat potentieel goed te benutten.

De uitdaging voor de ontwikkeling van Haïti is volgens Chenet tweeledig. Enerzijds is er het politieke luik. “De politieke mentaliteit in Haïti is aan het veranderen. De mensen zijn het er nu over eens dat macht enkel toegankelijk mag zijn via verkiezingen. Maar de democratie in Haïti is nog in volle ontwikkeling en het is afwachten hoe dat proces verder verloopt.” Anderzijds staat Haïti voor een heel grote economische uitdaging. Het land heeft nood aan productieve investeringen om rijkdom te creëren en armoede terug te dringen. “Het ene kan niet bestaan zonder het andere,” aldus Chenet. “Het democratische proces moet gestimuleerd worden. Tegelijk moeten beleidsmakers inzetten op het creëren van rijkdom om de levensomstandigheden van de bevolking te verbeteren. Het zijn twee zijden van dezelfde medaille.”

Familiale landbouw als motor

“Familiale landbouw moet de motor zijn van de economische en sociale ontwikkeling van het land,” zegt Chenet. “Om in te zetten op familiale landbouw moeten we rekening houden met de milieukwestie, de ecologische kwestie en de klimaatverandering.” Haïti kende de laatste jaren lange periodes van droogte die geleid hebben tot enorme verliezen in de landbouwproductie. Er moet dus gewerkt worden aan oplossingen voor de negatieve effecten van de klimaatverandering. Bijvoorbeeld door in te zetten op milieuvriendelijke landbouwtechnieken. “De boerenbewegingen moeten het centrum vormen van de ontwikkelingsdynamiek. En een belangrijke plaats is daarbij weggelegd voor jongeren en vrouwen,” aldus Chenet.

Samen sterker

David Tilus, de directeur van GAFE (Groupe d’Action Francophone pour l’Environnement) plaatste enkele kanttekeningen bij de middenveldorganisaties in Haïti. Die is ontstonden uit de politieke bewegingen die zich afzetten tegen de dictatuur (1957-1986). Vandaag de dag is er een grote verscheidenheid aan organisaties actief in het land. Bovendien beginnen deze organisaties hun eigen, Haïtiaanse manieren van werken te ontwikkelen. Naast de methodes die ze aangereikt krijgen van buitenaf. Dat is een gunstige evolutie. Ook stellen ze zichzelf in vraag, om zo te blijven evolueren. “Het maatschappelijk middenveld heeft in Haïti lang moeten strijden om erkenning te krijgen,” zegt David Tilus. “Vandaag de dag heeft ze die erkenning en kan ze haar stem laten horen over de politieke kwesties van het moment.”

De rol van ontwikkelingssamenwerking

De directeurs waren in België op uitnodiging van de Coordination Europe Haïti. Dat is een platform van Europese ngo’s die werken rond het beleid van de Europese Unie (EU) ten opzichte van Haïti. Ze doen dat steeds in overleg met de middenveldorganisaties in het land. De directeurs brachten in België een bezoek aan het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Directie-Generaal van Ontwikkelingssamenwerking en vergaderden met verschillende leden van het Europese parlement.

Het middenveld in Haïti is van mening dat de relatie tussen Haïti en de EU herzien moet worden. De EU geeft het land veel financiële steun, maar toch gaat de situatie in het land er weinig op vooruit. Het is absoluut noodzakelijk dat de Haïtiaanse bevolking zelf haar prioriteiten kan bepalen. Het land heeft geen baat bij een rol van steuntrekker. Het moet haar eigen toekomst in handen nemen.

De EU heeft hierin een rol te spelen en moet samenwerken met de Haïtiaanse staat aan de decentralisatie van de politiek. De ontwikkelingssamenwerking moet streven naar het creëren van rijkdom voor Haïti, door een economie uit te bouwen die onafhankelijk is van externe hulp. “Organisaties die werken aan ontwikkelingssamenwerking moeten daarom bereid zijn om verantwoording af te leggen. Niet enkel aan de Belgische of Europese overheid die hen financiert, maar in de eerste plaats aan de gemeenschap waar ze toe bijdragen”, aldus Chenet.