De dambreuk in Brazilië is opnieuw een tragisch voorbeeld van de nalatigheid op vlak van milieu en mensenrechten in de mijnbouwsector. Bindende internationale regelgeving dringt zich op.

Voor de tweede keer in iets meer dan drie jaar tijd brak in de Braziliaanse deelstaat Minas Gerais de dam van een ijzermijn. Deze keer vond de ramp plaats in de gemeente Brumadinho. Er vielen al zeker vijfenzestig slachtoffers. Net als bij de ramp van Mariana, in november 2015, gaat het om een mijn die (deels) in handen is van de mijnbouwgigant Vale. Of de slachtoffers van Brumadinho ooit gerechtigheid zullen vinden, is nog maar de vraag.

Dat Vale met deze catastrofe imagoschade lijdt, staat vast. De aandelen van het bedrijf kelderden vrijwel onmiddellijk. Op gerechtelijk bevel werden alvast de helft van de activa van Vale bevroren voor schadeclaims en boetes. Ook president Jair Bolsonaro, voor wie deze ramp erg ongelegen komt (hij wil de mijnbouwsector meer vrij spel geven), bezocht het gebied en beloofde oplossingen.

Drie jaar na de vorige mijnramp heeft de getroffen bevolking nog steeds geen correcte compensatie gekregen.

Maar het precedent van Mariana voorspelt niet veel goeds. Toen ging het om een joint venture van Vale en het Brits-Australische bedrijf BHP Billiton. Die ramp is een typisch voorbeeld van mensenrechtenschendingen in de context van bedrijfsactiviteiten, waarbij slachtoffers onvoldoende toegang hebben tot rechtspraak en remediëring. Er vielen negentien doden, meer dan zeshonderd mensen verloren hun huis en miljoenen kubieke meter giftig mijnafval vloeiden via het stroombekken van de Doce-rivier de oceaan in.

Ruim drie jaar later heeft de getroffen bevolking nog steeds geen correcte compensatie gekregen. Cynisch genoeg pleit het mijnconsortium zelf al voor een heropstart van de mijn. Ook over de prioriteit van het dossier voor de regering-Bolsonaro moeten we ons niet al te veel illusies maken.

Inspanningen volstaan niet

Dit verhaal houdt niet op bij Mariana en Brumadinho. Milieurampen en mensenrechtenschendingen in de internationale mijnbouwsector zijn eerder regel dan uitzondering. De Responsible Mining Foundation, een onafhankelijke stichting die verantwoord ondernemerschap in de sector promoot, stelde in 2018 voor het eerst een index op die de sociale en milieuprestaties van ’s werelds dertig grootste mijnbouwbedrijven in kaart brengt, op basis van informatie over achthonderd mijnsites wereldwijd.

Amper 30 procent van de mijnbouwbedrijven voert een proactief mensenrechtenbeleid.

Die toont dat de inspanningen op het vlak van mensenrechten, gezondheid en (milieu)veiligheid ondermaats blijven. Het risico op schendingen van mensenrechten in de sector is nog altijd hoog. Amper 30 procent van de bedrijven voert een proactief mensenrechtenbeleid. Bovendien blijkt dat bedrijven het eigen beleid op die terreinen onvoldoende tot niet in de praktijk brengen.

Dat wijst op een cruciaal pijnpunt, dat steeds meer ngo’s, academici, juristen en beleidsmakers aankaarten: de nood aan bindende regelgeving voor (multinationale) bedrijven, om schendingen van mensenrechten te voorkomen en straffeloosheid tegen te gaan. Goodwill volstaat niet om tragedies zoals die van Mariana en Brumadinho te vermijden. Wanneer slachtoffers geen hefbomen hebben om hun rechten af te dwingen en keer op keer blijkt dat de inspanningen van de sector niet volstaan, is het duidelijk dat de globalisering op dat vlak achterloopt. En dat terwijl bedrijven zelf wél allerlei harde wetten bedingen via handelsverdragen en speciale arbitragetribunalen om de eigen belangen veilig te stellen. Als antwoord daarop lopen er sinds 2014 – moeizame – onderhandelingen in de schoot van de VN-Mensenrechtenraad om een internationaal verdrag uit te werken dat de verplichtingen van bedrijven op het vlak van mensenrechten afdwingbaar maakt.

Betaald met uw centen

Het internationale karakter van zo’n bindend instrument is cruciaal, om de zogenaamde corporate veil (de sluier van de onderneming) door te prikken. Zo verstopt Vale zich achter een kluwen van dochterondernemingen en financiers, waarbij niemand echt aansprakelijk is. Het mag dan wel een op en top Braziliaans bedrijf zijn, de mijnbouwreus gaat samenwerkingen aan met andere grote buitenlandse consortia. Dan is er nog de financiering, onder meer met uw en mijn spaarcenten: uit onderzoek van FairFin, Broederlijk Delen en 11.11.11 blijkt dat BNP Paribas, Deutsche Bank, ING en KBC tussen 2011 en 2016 samen miljarden euro’s leenden aan Vale en BHP Billiton.

Vale en Bolsonaro moeten hun verantwoordelijkheid nemen voor de slachtoffers van Mariana en Brumadinho. Het Braziliaanse gerecht moet zijn werk doen. Maar in deze globale aansprakelijkheidscrisis hebben ook de EU en België een rol te spelen. Maak werk van bindende, internationale regels voor bedrijven, zodat het speelveld voor iedereen gelijk is, zodat bedrijven mensenrechtenrisico’s in kaart brengen en aanpakken, en zodat slachtoffers toegang krijgen tot justitie. Wacht niet tot de volgende dambreuk.