De lage prijzen van olie en metalen raken de achilleshiel van verschillende economieën in Latijns-Amerika: hun afhankelijkheid van grondstoffenexport. Maar in plaats van deze kans te grijpen om werk te maken van een duurzame economische transformatie, doen regeringen in het continent er alles aan om business as usual aan te moedigen. Met medewerking van Europa.

Pluk de dag’, kopte The Economist onlangs (17 januari 2015). In een opmerkelijk stuk betoogt het blad dat de lage olieprijzen een unieke opportuniteit bieden aan politici wereldwijd om werk te maken van de transitie naar groene energie, door subsidies voor fossiele brandstoffen af te schaffen en hogere belastingen te heffen op de uitstoot van koolstofdioxide, en deze maatregelen te koppelen aan investeringen in schone energie. Die wordt goedkoper en dus interessanter voor investeerders.

De dalende grondstoffenprijzen hebben alvast een impact op bedrijven, zo blijkt. Marktleiders zien hun aandelen de diepte induiken en zetten projecten on-hold. Zo kondigde Total op het Wereld Economisch Forum in Davos aan haar investeringen in het Noordpoolgebied terug te schroeven, omdat het bedrijf verwacht dat de olieprijs nog zeker een half jaar laag zal blijven.

Ondertussen heerst er een overaanbod van grondstoffen op de markt, terwijl de wereldeconomie blijft slabakken en de vraag van de industrie op een laag pitje staat. Dat geldt niet alleen voor olie, maar ook voor metalen.

Andes in zwaar weer

Betekent dit dieptepunt ook een keerpunt? De grillen van de markten zijn natuurlijk moeilijk te voorspellen. Maar de Andesregio, traditioneel een exporteur van grondstoffen, staat hoe dan ook voor een dilemma, nu met de weerslag van de grondstoffenhausse ook ginds een einde lijkt te komen aan het groeimirakel van de laatste jaren.

Afhankelijk blijven van de export van ruwe grondstoffen en dus van de ups en downs van de wereldeconomie? Of deze kans grijpen om werk te maken van een meer gediversifieerde en duurzame economie?

Net zoals de dalende olieprijzen slecht nieuws zijn voor petroleumlanden als Ecuador en Venezuela, dreigen landen als Bolivia en Peru - die erg afhankelijk zijn van de inkomsten uit mijnbouw- en aardgasontginning - in zwaar weer terecht te komen door de keldering van de metalenprijzen (noot: goud vormt hierop een uitzondering, omdat goud net profiteert van de slabakkende wereldeconomie en beleggers aantrekt die zekerheid zoeken). Zo daalde de koperprijs op een jaar tijd met ongeveer 24 procent. Een zware klap voor een land als Peru, dat tot de drie grootste koperproducenten ter wereld behoort (naast Chili en China).

Niet alleen op zuiver economisch vlak komt de kwetsbaarheid van dit model door deze (tijdelijke?) prijzencrisis bloot te liggen. Ook vanuit sociaal en ecologisch oogpunt is het al langer duidelijk: de grenzen van de gangbare ontginningspolitiek zijn bereikt. Concessies  voor nieuwe projecten worden uitgereikt zonder raadpleging van lokale inheemse gemeenschappen.

Mensenrechtenverdedigers worden vervolgd en zelfs vermoord, politie en leger pakken protesten hardhandig aan. Grote delen van het platteland, vooral in Bolivia, zijn onleefbaar geworden door jarenlange mijnbouwvervuiling. Het gaat hier niet over toevallige incidenten, maar over systemische problemen in het hele continent. En daarin schuilt de meer fundamentele crisis.

Antwoord: meer ontginnen

Hoe duidelijk het ook mag zijn dat dit model onhoudbaar is: ‘meer ontginnen’ is vandaag het weinig verfrissende antwoord van regeringen in de hele Andes. Zo keurde Peru in juni 2014 nog een pakket maatregelen goed dat de milieuwetgeving afzwakt en een resem procedures voor bedrijven versoepelt.

Met de hete adem van grote concurrent Chili in de nek, wil Peru de lieveling van de mijnbouwindustrie blijven. Het land is bovendien geen uitzondering. Ook in Colombia en zelfs in ‘linkse’ landen als Bolivia en Ecuador, die de ‘rechten van de natuur’ wettelijk erkennen, breidt de ontginningseconomie verder uit, gesteund door de overheid.

En aan deze kant van de oceaan? Europa bevordert mee het economische kortetermijndenken in Latijns-Amerika. De vrijhandelsakkoorden die werden afgesloten met Peru en Colombia, bijvoorbeeld, moeten de grondstoffenimport naar Europa en Europese investeringen in de regio veiligstellen.

De Andes is nu eenmaal een te belangrijke leverancier van grondstoffen voor de Europese industrie, die in tijden van grondstoffenschaarste zijn schaapjes op het droge wil stellen. En aan de andere kant kunnen buitenlandse investeringen de sputterende economische motor van de EU opnieuw aantrekken, klinkt het. Ook onze federale regering schaart zich achter dit vrijhandelsbeleid.

Als onze Europese politieke leiders mensenrechten en duurzame ontwikkeling echt zo prioritair vinden, zouden ze nochtans beter beginnen door zelf het goede voorbeeld te geven en voluit te gaan voor de transitie naar een kringloopeconomie. Een dialoog met landen in Latijns-Amerika over de enorme sociale en ecologische impact van grondstoffenontginning, en over een andere economie, wordt dan bovendien geloofwaardiger.

(dit stuk verscheen ook op MO.be)