De Europese Unie (EU) neemt binnenkort een wet aan over de import van mineralen uit conflictgebieden. Maar het voorstel dat vandaag voorligt, is ronduit ontoereikend. Door te vertrouwen op zelfregulering door grote bedrijven, ontloopt de EU haar verantwoordelijkheid.

Tantaal en wolfraam? Veel kans dat deze woorden niet meteen een belletje doen rinkelen. Net als tin en goud zijn het nochtans zeer gegeerde grondstoffen, die terechtkomen in onze smartphones, laptops, auto’s en juwelen.

De ontginning en handel van deze mineralen hebben een schaduwzijde die ondertussen goed gedocumenteerd is: financiering van gewapende groepen, mensenrechtenschendingen, georganiseerde misdaad en milieuvervuiling. In landen als de Democratische Republiek Congo en Colombia speelt de grondstoffenhandel een sleutelrol in aanslepende conflicten met miljoenen doden en intern ontheemden.

Europese leiders onderhandelen momenteel over de wetgeving rond deze ‘conflictmineralen’. Die moet ervoor zorgen dat EU-bedrijven die de vier mineralen goud, tantaal, tin en wolfraam (ook bekend als ‘3TG’) uit conflictgebieden importeren, dat op een verantwoorde manier doen: door hun handelsketens te controleren, verantwoording af te leggen en bij te sturen waar nodig.

De pen van de autolobby

De wet dreigt echter een gemiste kans te worden. Het is zeer betreurenswaardig dat de Commissie in haar wetsvoorstel van 2014 niet verder gaat dan een mechanisme voor ‘vrijwillige zelfcertificering’. De Commissie vertrouwt erop dat bedrijven zelf het initiatief nemen om hun ketens ‘conflictvrij’ te maken. In ruil voor die inspanning zouden ze een label krijgen. Verschillende studies tonen echter aan dat bedrijven zelden geneigd zijn om uit eigen beweging niet-bindende richtlijnen te volgen.

Bovendien viseert het voorstel slechts een fractie van alle betrokken bedrijven in de keten. Zo zou de wetgeving enkel van toepassing zijn op smelters en raffinaderijen van ruwe grondstoffen, en niet op importeurs van onderdelen en eindproducten. Grote multinationals uit onder meer de auto-industrie hielden onmiskenbaar mee de pen vast.

Op die manier ontloopt de EU haar enorme verantwoordelijkheid in dit verhaal. De EU is het grootste handelsblok ter wereld. Met haar 500 miljoen consumenten neemt de EU 16 procent voor haar rekening van de globale import van 3TG. Daarbovenop komt nog de onrechtstreekse invoer van deze grondstoffen, via afgewerkte producten uit pakweg China. De EU is de tweede grootste importeur ter wereld van laptops en mobiele telefoons.

Op 20 mei vorig jaar gaf het Europees Parlement gelukkig tegengas. Het vroeg (net als een brede coalitie van sociale bewegingen, ngo’s, investeerders én bedrijven), verplichte wetgeving voor álle betrokken Europese ondernemingen in de handelsketen van 3TG. Nog onder het Nederlands voorzitterschap van de EU, voor eind juni dit jaar, moeten de regeringen van de nationale lidstaten nu met het Parlement en de Commissie tot een consensus komen.

Europa hinkt achterop

Als de EU-regeringen zwichten voor het tandeloze voorstel van de Commissie, dreigt Europa wereldwijd achterop te hinken in de inspanningen voor meer verantwoorde globale handelsketens. Internationale instellingen zetten de voorbije jaren al enkele stappen. Zo nam de Mensenrechtenraad van de VN in 2011 de Guiding Principles on Business & Human Rights aan, een tekst die ondubbelzinnig duidelijk maakt dat alle bedrijven de verantwoordelijkheid hebben de mensenrechten te respecteren in de hele keten van hun activiteiten. En de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) stelde sectorspecifieke richtlijnen op voor de handel in mineralen.

Het is vandaag tijd om deze referentiekaders om te zetten in bindende wetgeving. De VS geeft op dat vlak het goede voorbeeld. Daar is sinds 2010 de Dodd–Frank Wall Street Reform and Consumer Protection Act van kracht. Die wet verplicht bedrijven die 3TG verwerken in hun producten om de herkomst van die grondstoffen openbaar te maken. Daarnaast moeten Amerikaanse bedrijven ook verantwoording afleggen over de geleverde inspanningen om de risico’s met betrekking tot mensenrechtenschendingen in de toeleveringsketen te vermijden en te remediëren.

Wat houdt onze Europese leiders tegen? Bindende wetgeving voor grondstoffenbedrijven is geen wondermiddel om burgeroorlogen te beëindigen. Maar ze kan wel een reële omslag teweegbrengen in een sector geplaagd door conflicten en mensenrechtenschendingen. Bovendien hebben we als consumenten recht op ethische producten. De EU kan het zich dan ook niet permitteren de globale samenwerking voor een meer verantwoorde grondstoffenhandel te saboteren. Dan verliest haar mensenrechtendiscours alle geloofwaardigheid. En wint het Europa van de grote bedrijven.

Dit opiniestuk verscheen op DeMorgen.be.