Een jaar geleden brak de crisis los in Burundi. We volgen de situatie op de voet, geven advies aan beleidsmakers, informeren journalisten en sensibiliseren de publieke opinie. 

Hoe begon de crisis?

Op 25 april 2015 koos het CNDD-FDD (Conseil national pour la défense de la démocratie - Forces pour la défénse de la démocratie) president Pierre Nkurunziza als kandidaat voor de presidentsverkiezingen. Nkurunziza won de eerste naoorlogse verkiezingen van 2005 en bleef aan de macht na de verkiezingen van 2010.

Zijn kandidaatstelling voor een derde ambtstermijn was de directe aanleiding voor de crisis. De politieke oppositie en organisaties uit het middenveld beschouwden het als een schending van het vredesakkoord van Arusha (2000) en de grondwet. Ze riepen op tot protest.

Gedurende drie weken kwamen (jonge) burgers op straat in de hoofdstad Bujumbura tegen een nieuwe ambtstermijn. De politie reageerde met veel geweld. Op 13 mei kwam een kentering toen militairen een poging deden tot staatsgreep. Het burgerprotest en de militaire coup hielden de president niet tegen om in de zomer verkiezingen te winnen en de eed af te leggen. 

Wat zijn de gevolgen?

De crisis is vooral politiek met gevolgen op humanitair en veiligheidsvlak. Ongeveer 250.000 burgers vluchtten naar de buurlanden. De repressie en het geweld namen toe: 4.000 willekeurige aanhoudingen, 800 vermisten, 700 doden en sinds januari 345 folteringen. 

Partijgenoten van de president, opposanten, activisten en journalisten verlieten het land. De afwezigheid van die elite zorgt dat er amper nog democratische tegenkrachten zijn. Het vreedzaam burgerprotest maakte plaats voor een militair protest van gewapende groepen die op buitenlandse steun kunnen rekenen.

Toch slaagde de president erin om aan de macht te blijven, zelfs na de moord op belangrijke bondgenoten. Hij geraakte echter wel internationaal geïsoleerd waardoor de crisis ook meer een economische impact krijgt.

Het conflict krijgt – vooral door propaganda van het regime  - een etnische dimensie toegekend. Dit is onterecht omdat zowel Tutsi’s als Hutu’s zich tegen de president hebben gekeerd. 

Wat doet de internationale gemeenschap?

Westerse landen kantten zich openlijk tegen het derde mandaat. Er volgden maatregelen tegen het regime. België schortte een deel van de bilaterale hulp op en stopte de steun aan de politie. De Verenigde Staten namen sancties tegen autoriteiten. Na een mislukte dialoog met de overheid schortte de Europese Unie de hulp van 430 miljoen euro voor de periode 2015-2020 op. Ze behoudt wel de humanitaire hulp.

Burundi is voor meer dan 50% van zijn budget afhankelijk van donoren. Het is dus onvermijdbaar dat de sancties stilaan voelbaar worden. De sancties hebben het regime echter (nog) niet kunnen overtuigen om zich democratisch te gedragen.

Pogingen om vredestroepen te sturen mislukten omdat het regime weigert en omdat er geen eensgezindheid is binnen de Afrikaanse Unie en de Verenigde Naties. Deze week kondigde het Internationaal strafhof een vooronderzoek rond de misdaden aan. Het is onzeker of dit het geweld kan stoppen. 

Is er een oplossing?

Een uitweg vinden uit de crisis gebeurt best niet militair, maar wel via diplomatieke en politieke middelen.

Dit kan door de organisatie van een inclusieve dialoog tussen het regime, de oppositie en organisaties uit het middenveld. Het is belangrijk dat de uitkomst ervan in overeenstemming is met de geest van het vredesakkoord dat aan de basis lag van het vredesproces.

De organisatie van deze dialoog bevindt zich in een impasse. Het regime wilt niet onderhandelen met ‘terroristen’. Tegenstanders vragen dat de president opstapt. Om een dialoog mogelijk te maken moet er ten eerste meer coherente internationale druk komen. Ten tweede moeten de VN en de EU Oeganda en Tanzania prominenter bijstaan bij de bemiddeling. Tot slot moet de veiligheidssituatie in Burundi verbeteren. De VN moeten een politiemacht sturen om de bevolking te beschermen en de veilige terugkeer van dissidenten te garanderen.

Op korte termijn dienen politieke partijen, middenveld en media weer vrij te functioneren. Op langere termijn is het belangrijk dat de politieke wereld verjongt en een waardig perspectief biedt aan de jongeren die op straat kwamen voor een rechtsstaat en een betere socio-economische situatie. 

Hoe stellen onze partnerornganisaties het?

De lokale partnerorgnaisaties van Broederlijk Delen werken voornamelijk in het binnenland. Daar is de situatie relatief stabiel gebleven,  ze kunnen redelijk normaal functioneren.

Broederlijk Delen ondertsteunt één partnerorganisatie die werkt rond mensenrechten. Die werd op de zwarte lijst gezet, samen met 12 andere organisaties. De bankrekeningen werden geblokkeerd en de verantwoordelijke moest onderduiken.

Voor andere organisaties is het vaak op eieren lopen. De verschillende partijen in het conflict (ook de overheid) willen vaak mooie resultaten recupereren, tot ongenoegen van de andere partijen. Zo worden de organisaties dus snel in een gepolariseerde logica gedwongen. Pax Christi werkt samen met één organisatie in de hoofdstad.  Sinds de granaataanval vorig jaar proberen de medewerkesr hun werk verder te zetten in een kwetsbare situatie. De aanslepende crisis zorgt voor een onzekere toekomst. 


Beluister ook het radio-interview van Nadia Nsayi.