23 maart moest een historische dag worden in Colombia. Maar de regering en de rebellenbeweging FARC-EP misten hun zelfverklaarde deadline voor een definitief vredesakkoord. Maart 2016 was bovendien een zwarte maand voor mensenrechtenactivisten in het land. Mogen de Colombianen nog hopen op vrede voor de zomer?

Op 23 september 2015 beloofden de onderhandelaars van de Colombiaanse regering en de FARC-EP (‘Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia’, de grootste rebellengroep van het land) dat ze precies een half jaar later een definitief akkoord zouden ondertekenen, na drieënhalf jaar gesprekken. Het langstlopende gewapend conflict op het Amerikaanse continent zou dan officieel tot het verleden behoren. Maar 23 maart 2016 zal de Colombiaanse geschiedenis ingaan als de dag van de gemiste deadline.

Moeizame finale

De Amerikaanse buitenlandminister John Kerry had enkele dagen voordien in de Cubaanse hoofdstad Havana (waar de vredesgesprekken plaatsvinden) nog een opmerkelijke ontmoeting met zowel de onderhandelaars van de guerrilla als met die van de Colombiaanse regering. Opmerkelijk, want de FARC-EP staan nog steeds op de Amerikaanse lijst van terroristische organisaties. Een dergelijke diplomatieke topontmoeting was dan ook ongezien.

Kerry wilde de onderhandelaars een duwtje in de rug geven in de laatste rechte lijn van hun gesprekken. In een optimistisch communiqué juichte hij de vorderingen toe en stelde hij dat 'vrede nu steeds dichterbij komt voor het Colombiaanse volk en de miljoenen slachtoffers van het conflict'.

De Amerikanen hadden gehoopt het bezoek van president Obama aan Cuba te kunnen combineren met een acte de présence tijdens de bekendmaking van het Colombiaanse vredesakkoord. Zo zouden de VS twee vliegen in één klap slaan en de wereld tonen dat de dooi in de relaties tussen de VS en Latijns-Amerika nu echt was ingezet, na de War on Drugs en de nasleep van de Koude Oorlog. Als diplomatieke pr had het kunnen tellen.

Maar het bleek ijdele hoop. Geen vredesakkoord, zelfs niet de verwachte aankondiging van een bilateraal staakt-het-vuren als voorafje om de eer van de onderhandelaars te redden. Eerder had de Colombiaanse president Juan Manuel Santos al gezegd dat hij 'geen slecht akkoord zou ondertekenen, alleen maar om de deadline te halen'.

Hoe dan ook zijn de gesprekken al ver gevorderd. Over vier van de zes punten op de agenda van de vredesonderhandelingen tussen de regering en de FARC-EP sloten de onderhandelaars al deelakkoorden: 1. rurale ontwikkeling en landhervorming; 2. de omvorming van de guerrilla tot een politieke partij en garanties voor de oppositie om aan de nationale politiek te kunnen deelnemen; 3. het stopzetten van de illegale drugsteelt en –handel (een belangrijke inkomstenbron van de FARC-EP); en 4. genoegdoening voor de slachtoffers van het conflict, waaronder overgangsjustitie voor de berechting van oorlogsmisdaden.

Twee punten staan nu nog op de agenda. Enerzijds het thema ‘einde van het conflict’: de ontwapening en re-integratie van de rebellen, en toezicht op de naleving van het staakt-het-vuren. Anderzijds de ratificatie van de vredesagenda door de bevolking en de aspecten met betrekking tot de implementatie van de akkoorden. Zo is de regering voorstander van een referendum over de finale vredesakkoorden. De FARC-EP willen die liever voorleggen aan een Grondwetgevende Vergadering van 141 leden - met een overeen te komen aantal vertegenwoordigers van de guerrilla.

Algemeen wordt verwacht dat de vredesgesprekken nog voor de zomer definitief zullen landen.

Een plaats voor ex-strijders

Vooral de kwestie van de demobilisatie van de guerrillastrijders zorgt nog voor onenigheid, en meer bepaald de inrichting van zogenaamde ‘concentratiezones’.

Dat zijn geografische afgebakende gebieden waar de ex-strijders van de FARC-EP moeten worden ondergebracht in de overgangsfase naar hun re-integratie in de samenleving, om hen de nodige bescherming te kunnen bieden en om te kunnen nagaan of het staakt-het-vuren door beide partijen wordt gerespecteerd. Leger en ordediensten zouden geen toegang krijgen tot die zones, maar wel de perimeter bewaken. De overheid zou de lopende arrestatiebevelen opschorten tegen alle guerrillaleden die er verblijven.

De discussie tussen de regering en de FARC-EP gaat vooral over de omgang en locatie van die zones, over de veiligheidsgaranties voor de ex-strijders en over de termijn van hun bestaan. Zo willen de FARC-EP dat de concentratiezones zich uitstrekken over grote geografische gebieden, waar de ex-rebellen ook contact kunnen hebben met lokale gemeenschappen. De guerrilla ziet deze zones als ‘vredesterritoria’ waar ze de basis kan leggen voor een politieke beweging op langere termijn.

De regering heeft daarentegen kleinere, meer geconcentreerde en geïsoleerde zones in gedachten, voor een kortere termijn (enkele maanden tot een jaar): net lang genoeg opdat de guerrillaleden kunnen demobiliseren, ontwapenen en beginnen re-integreren in de samenleving.

Hoe lang het nog zal duren om deze laatste punten uit te klaren, is onduidelijk. Op 14 april eindigt een nieuwe onderhandelingsronde. Volgens verschillende Colombiaanse media zouden de regering en de FARC-EP die dag een akkoord aankondigen over het punt ‘einde van het conflict’. Daarna moet dan nog de implementatie en ratificatie afgehandeld worden. Algemeen wordt verwacht dat de vredesgesprekken nog voor de zomer definitief zullen landen.

Volgens recente polls kalft de populariteit van president Santos ondertussen echter gestaag af (slechts 25 procent van de bevolking schaart zich nog achter zijn beleid, volgens een peiling van 27 maart). De gemiste deadline van 23 maart is bovendien koren op de molen van de politieke oppositie: de grootste oppositiepartij, de partij van voormalig president Uribe, staat zeer kritisch tegenover de vredesonderhandelingen met de FARC-EP en ziet ze maar wat graag mislukken.

Toch zou een meerderheid van de Colombianen de definitieve akkoorden in een referendum goedkeuren, blijkt uit opiniepeilingen. Het is dan ook zaak om snel vooruitgang te boeken, wil de regering verder gezichtsverlies vermijden.

Doorbraak met ELN

De formele opstart van vredesonderhandelingen met het ELN (‘Het Nationale Bevrijdingsleger’), de tweede grootste rebellengroep van het land, geeft de gesprekken in Havana alvast nieuwe wind in de zeilen. De bekendmaking van die doorbraak kwam er op 30 maart. Al meer dan twee jaar voeren het ELN en de regering verkennende gesprekken achter gesloten deuren.

De vrees groeide dat het ELN gedemobiliseerde FARC-strijders zou inlijven als de groep niet officieel betrokken werd bij het vredesproces, met een nieuwe escalatie van geweld tot gevolg. Traditionele doelwitten van het ELN zijn de olie-industrie en energie-infrastructuur. De rebellengroep financiert zijn activiteiten vooral met afpersing van bedrijven en losgelden.     

Een nieuwe stap naar een ‘volledig’ vredesproces is nu gezet. Al is de agenda van de onderhandelingen met het ELN breder en wellicht nog gecompliceerder dan die met de FARC-EP. Zo formuleert het ELN eisen met betrekking tot de deelname van het middenveld en structurele veranderingen in het economische ontwikkelingsmodel. De onderhandelingen tussen de regering en het ELN zullen in Ecuador plaatsvinden, maar ook de regeringen van Venezuela, Brazilië, Cuba en Chili verlenen hun medewerking en zullen het proces mee observeren.

In maart werden op twee weken tijd maar liefst 29 vertegenwoordigers van de bredere politieke linkerzijde vermoord

Activisten onder paramilitair vuur

Nu ook het ELN betrokken is bij het vredesproces, zijn de perspectieven al bij al gunstig voor een spoedig einde van het gewapend conflict in Colombia. Formeel althans. Want een prangend probleem dat door alle aandacht voor de high level onderhandelingen in Havana ondergesneeuwd raakt, is de blijvend kritieke situatie van mensenrechtenactivisten in Colombia, en het aanhoudende geweld tegen prominente linkse figuren in het algemeen.

In maart werden op twee weken tijd maar liefst 29 vertegenwoordigers van de bredere politieke linkerzijde in Colombia vermoord: leiders van plattelandsgemeenschappen, landrechtenactivisten en leden van boerenbewegingen. Ook een inheemse leider van een partnerorganisatie van Broederlijk Delen uit de regio Cauca, Willar Oime Alarcón, werd op 2 maart doodgeschoten. Hij was een centrale figuur in de strijd voor de bescherming van inheemse landrechten, in het bijzonder tegen illegale mijnbouwactiviteiten. In 2015 werden in totaal 63 mensenrechtenactivisten vermoord in Colombia en 885 activisten bedreigd. 

Dergelijke moorden raken zelden opgehelderd: er heerst nog altijd grote straffeloosheid in het land. Algemeen wordt aangenomen dat paramilitaire groepen achter het geweld zitten. Ook Amnesty International benadrukt in zijn recentste jaarrapport over het land dat paramilitairen ernstige mensenrechtenschendingen blijven begaan. De linkse oppositiepartij Unión Patriótica (Patriottische Unie) vreest ‘een nieuwe fase van politieke uitroeiing van links’.

De grootste paramilitaire groep van het land (Los Urabeños) ontrolde eind maart-begin april nog een machtsoffensief met een economische shutdown in vijf regio’s in het noordwesten van het land. De bevolking kreeg het bevel om gedurende 24 uur binnen te blijven en alle werk-, economische en academische activiteiten te staken.

Maar voor de overheid bestaan er officieel geen ‘paramilitairen’. Zij spreekt van ‘criminele bendes’ en ontkent elke link tussen deze groepen en bepaalde figuren binnen het staatsapparaat – hoewel die banden onder meer volgens Amnesty wel degelijk bestaan. President Santos gaf na de recente golf van moorden het leger en ordediensten wel de opdracht om hun inspanningen op te drijven tegen deze ‘criminele bendes’.

De opbouw van vrede in Colombia zal noodgedwongen gepaard moeten gaan met de zoektocht naar alternatieven voor het grondstoffenmodel.

Slabakkende olie-economie

Naast de aspecten die rechtstreeks te maken hebben met het eigenlijke vredesproces, zijn er dan ook nog talrijke andere uitdagingen op het vlak van mensenrechten om echte vrede te realiseren. Dat benadrukt ook het recentste VN-Mensenrechtenrapport over Colombia. De uitsluiting en enorme ongelijkheid in het land aanpakken is essentieel. Op dat vlak gaapt er nog steeds een grote kloof tussen het mensenrechtendiscours van overheidsinstellingen en de dagelijkse praktijk, benadrukken de VN.

Het overgrote deel van de mensenrechtenschendingen in Colombia (80 procent) en maar liefst 87 procent van alle gevallen van gedwongen verhuizing houdt verband met mijnbouw- en energieprojecten, net twee centrale pijlers van het economische beleid van de regering-Santos.

Ook op dat vlak zit de regering overigens in moeilijke papieren, met het oog op de post-conflictperiode: de economie slabakt door de gekelderde olieprijs, en dus lopen ook de staatsinkomsten terug (olie is het belangrijkste exportproduct van het land). De hele ontwikkelingsstrategie van de regering is geënt op grootschalige mijnbouw, olieontginning, agro-industrie, energie- en infrastructuurprojecten. De opbouw van vrede in Colombia zal dan ook noodgedwongen gepaard moeten gaan met de zoektocht naar alternatieven voor het grondstoffenmodel.

Dit artikel verscheen ook op MO.be.