Zeventig jaar geleden beslisten de Verenigde Naties om historisch Palestina te verdelen in een Joodse en een Arabische staat, met Jeruzalem als internationaal gebied. Dit deden ze in de hoop een escalatie van het conflict tussen de zionistische beweging en de Palestijnen te vermijden.

Tragisch genoeg versterkte het Verdeelplan de spanningen tussen Joodse en Arabische burgers en ontstond er een burgeroorlog. Om de aandacht te vestigen op de niet verwezenlijkte rechten van de Palestijnen, riepen de Verenigde Naties in 1977 29 november uit tot internationale dag van solidariteit met het Palestijnse volk. Dit jaar markeert niet alleen de 70ste verjaardag van het Verdeelplan, maar ook 50 jaar bezetting van de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en de Gazastrook.

Waarom wilden de Verenigde Naties Palestina verdelen?

Na het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk eigende het Verenigd Koninkrijk zich het mandaat over historisch Palestina toe (Sykes-Picot verdrag van 1916). Vanaf de start van zijn mandaat in 1922 werd het meegesleurd in de spanningen tussen de zionistische en Palestijnse nationale beweging, die beide een eigen staat in Palestina wilden.

Wegens de Arabisch-Joodse vijandschap en de escalatie van het geweld tussen zionistische en Palestijnse milities gaf het Verenigd Koninkrijk zijn mandaat aan de Verenigde Naties (VN). De VN, die niet op het terrein waren, moesten de escalatie van een lokaal conflict verhinderen. Een speciale commissie voor Palestina (UNSCOP) werd in het leven geroepen maar bereikte geen consensus.

De meeste leden waren voorstander van een verdeling, maar sommige bepleitten de oprichting van één federale staat. Ondanks de felle tegenstand van de Arabische landen haalde het Verdeelplan het in de stemming van resolutie 181 van de Algemene Vergadering op 29 november 1947.

Wat was het concrete plan?

De VN-commissie UNSCOP stelde voor om historisch Palestina, waar naar schatting 1.854.000 mensen (waarvan meer dan 1.237.0000 Palestijnen) woonden, op te delen. Er zouden drie deelstaten komen: een internationaal gebied in Jeruzalem (1 procent) met 105.000 Arabieren en 100.000 Joden; een Arabische staat (44 procent) met ongeveer 725.000 Arabieren en 10.000 Joden en een Joodse staat (55 procent) met ongeveer 498.000 Joden en 407.000 Arabieren.

Het plan had tekortkomingen, zoals de complexe geografische opdeling. De VN hadden ook niet de intentie om het plan af te dwingen. Na de stemming in november 1947 moest een nieuwe Palestinacommissie het plan uitvoeren, maar ze kreeg van de Britten geen toegang tot het terrein. De Palestinacommissie waarschuwde dat de Arabische landen het plan zouden dwarsbomen en dat gewapende Arabische groepen in het gebied infiltreerden.

Waarom waren de Palestijnen en de Arabische landen tegen het plan gekant?

De stemming in de Algemene Vergadering verraste de Palestijnen, die politiek, diplomatisch en ook militair veel minder goed georganiseerd waren dan de zionistische beweging. De Palestijnen begrepen niet dat ze meer dan de helft van hun grondgebied moesten afstaan aan minder dan één derde van de bevolking. De Palestijnse politieke leiding, het Arabisch Hoger Comité, wees het plan af en startte een driedaagse staking.

Ook de Arabische Liga kantte zich tegen de verdeling van Palestina. De zionistische leiding had eveneens bedenkingen, onder meer bij de grote aanwezigheid van Arabieren in de voorgestelde Joodse staat, maar de leiders zagen het ook als een eerste stap om die staat te verwezenlijken.

Waarom focussen de VN op deze dag enkel op Palestina?

Van de twee staten die het Verdeelplan voorstelde zag slechts één het licht. Na de eerste Israëlisch-Arabische oorlog van 1948-1949 werd Israël uiteindelijk opgericht op 78 procent van historisch Palestina. De Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem kwamen onder de voogdij van Jordanië terwijl Egypte het mandaat over de Gazastrook verkreeg. Bovendien sloegen 750.000 Palestijnen op de vlucht en werd het Palestijnse volk op grote schaal ontheemd.

Tot op vandaag beschouwt Israël de Palestijnse verwerping van het Verdeelplan als een uiting van de Palestijnse tegenstand tegen de Israëlische staat. In 1988 erkende het Palestijnse leiderschap van de PLO de staat Israël reeds en verklaarde het de onafhankelijkheid van een aanzienlijk kleinere Palestijnse staat dan in 1947 werd vooropgesteld.

Maar Israël blijft de oprichting van een Palestijnse staat in de Westelijke Jordaanoever, Gaza en Oost-Jeruzalem (22 percent van historisch Palestina) verwerpen en weigert zich terug te trekken uit de gebieden die het sinds 1967 bezet. Israëlische leiders stellen ook in toenemende mate het Palestijnse recht op zelfbeschikking in vraag.

Omdat de Palestijnse kwestie tot op vandaag niet is opgelost en het Oslo vredesproces geen soelaas bracht, vragen de VN meer internationale aandacht.