25 Januari 2018 - Recht op voedsel - Oeganda

De wereldbevolking blijft voorlopig groeien en de impact van de mens is overal op onze planeet voelbaar. Er moet iets gebeuren. Op vlak van energie bestaat er een tamelijk duidelijk beeld van de nodige transitie, ook bij het brede publiek. Windmolens, zonnepanelen en het begrip “groene energie” zijn niet nieuw meer; de zoektocht naar alternatieven voor fossiele brandstoffen en de uitbouw van een duurzame energiesector zijn onderwerp van publiek debat.

Op vlak van landbouw zijn we helaas nog niet zover. Dat de conventionele landbouw een enorme bijdrage levert aan de klimaatverandering is algemeen geweten, maar een duidelijk beeld van de alternatieven ontbreekt voorlopig nog. Bovendien houden boeren, de agro-industriële sector en wetenschappers er doorgaans verschillende meningen op na wanneer het gaat over het landbouwmodel van de toekomst.

Dit gebrek aan consensus creëert verwarring, staat het treffen van gepaste beleidsmaatregelen in de weg en consolideert zo het status quo. In de landbouw zal het morgen wellicht weer business as usual zijn, en dat is om verschillende redenen problematisch.

Naar een efficiënte landbouw

Volgens dit VN-rapport zal de wereldbevolking in 2050 gestegen zijn tot 9,8 miljard, in 2100 zal dit zelfs 11,2 miljard zijn. Deze groeiende bevolking moet gevoed worden en het ziet er naar uit dat het huidige niveau van voedselproductie niet zal volstaan.

Een andere uitdaging is de enorme milieu-impact van de hedendaagse landbouw, met niet in het minst de bijdrage aan de klimaatverandering. De nefaste gevolgen ervan worden pijnlijk zichtbaar, ironisch genoeg ook in de landbouw zelf. De conclusie is dus niet alleen dat we meer voedsel moeten produceren, maar ook dat we dit op een duurzame manier zullen moeten doen. Hoog tijd om de omschakeling te maken naar een efficiënte landbouw.

Efficiënte landbouw, hoe ziet dat er dan uit? Het beeld dat bij mezelf spontaan opkomt is er een van een intensieve, grootschalige en hoogtechnologische landbouw. Zo zie ik GPS-gestuurde machines, gigantische serres, kunstmest, strikt gecontroleerde omgevingsvariabelen, gentechnologie, proefbuizen, de nodige chemicaliën en labojassen – heel wat anders dan het idee dat ik als kind van landbouw had.

Ik herinner me bijvoorbeeld nog een bezoek aan een kinderboerderij. Ze hadden er allerhande vee, een kleine serre, een moestuin en een aantal velden met aardappelen en graangewassen. Er stonden ook bomen. Een paar eiken en zo’n indrukwekkende canadapopulier met takken die zo laag bij de grond begonnen dat het een serieuze karakteroefening was om er als klein ventje niet in te klimmen. Heel gezellig allemaal.

Dit romantische idee van landbouw houden we maar wat graag in stand, dat blijkt niet alleen uit het bestaan van kinderboerderijen, maar bijvoorbeeld ook uit de aard van de kinderboeken en televisieprogramma’s over het thema. We praten onszelf een idyllisch beeld aan, terwijl we terzelfdertijd een steriel, grootschalig en industrieel landbouwmodel voorstaan wanneer het de voedselvoorziening van de toekomst betreft – merkwaardig.

Dit beeld is niet alleen erg gespleten, de realiteit wil bovendien dat noch kinderboerderijen, noch die grootschalige landbouw een realistisch model vormen om te komen tot een duurzaam en hoogproductief voedselsysteem, al kan je over die kinderboerderijen eventueel nog twijfelen.

Wat we ook ondernemen, tegen 2030 willen de VN honger de wereld uit, zero hunger in hun eigen woorden. De technologie en de engagementen lijken er alvast te zijn, maar toch loopt het mis. We zijn ondertussen al in 2018 en nu blijkt dat het aantal mensen dat honger lijdt voor het eerst sinds 2005 is toegenomen. In 2015 ging het om 777 miljoen mensen, in 2016 om 815 miljoen, een toename van bijna 5 procent.

In de zoektocht naar oplossingen zijn de ogen vooral gericht op Afrika, waar het grootste deel van de bevolkingsgroei zal plaatsvinden en de industriële landbouw nog niet is doorgebroken. Dat laatste klinkt misschien als een probleem, maar dat is het zeker niet. Het geeft ons net de kans om een werkelijk efficiënt model te ontwikkelen, dat dus zowel productief als duurzaam is.

Groene Revolutie? Nee, bedankt

Het begrip “Groene Revolutie” verwijst naar een set van technieken en ontwikkelingen die sinds de jaren 30 de landbouw hebben getransformeerd en die vanaf de jaren 60 op grote schaal werden ingezet, met name in ontwikkelingslanden. De nieuwe technologie omvatte onder andere het gebruik van kunstmest, herbiciden, pesticiden, verbeterde gewassen, mechanisatie en een gecontroleerde watertoevoer door middel van irrigatie.

Deze verzameling technieken werd gezien als een pakket dat, ongeacht de context, in zijn geheel diende toegepast te worden. De diverse maar stagnerende traditionele landbouw moest plaats maken voor een homogeen hoogproductief systeem. Intensiveren en opschalen was de boodschap. India, China, Brazilië en Mexico waren de koplopers en wisten hun voedselproductie in enkele decennia enorm te verhogen. De groeiende bevolking van Azië en Latijns-Amerika kon gevoed worden, en de mogelijk grootste voedselcrisis uit de geschiedenis werd afgewend: de Groene Revolutie was een immens succes.

De verklaring voor dit succes is te vinden in het universeel toepasbare landbouwmodel dat de Groene Revolutie voorschrijft. Een totaalpakket van technieken wordt ingezet, met als gevolg de substitutie van complexe en obscure landbouwsystemen door een goed gekend model met gegarandeerde resultaten. De voorkeur gaat daarbij niet uit naar traditionele gewassen, die goed passen in hun specifieke omgeving, maar naar verbeterde, hoogproductieve gewassen die heel andere eisen stellen. Door de input te verhogen wordt de omgeving dan naar hun behoefte aangepast.

Vergeleken met de traditionele landbouw ligt de intensiteit van het nodige sproeien, ploegen, bemesten en irrigeren dan ook een pak hoger. De productie per oppervlakte landbouwgrond wordt dan wel verhoogd, terzelfdertijd worden ook enorm veel hulpbronnen aangewend. Dit laatste maakt de conventionele landbouw een weinig duurzaam gegeven.

In feite is de voedselproductie, sinds de doorbraak van de Groene Revolutie, zo afhankelijk van fossiele brandstoffen, dat we bijna letterlijk fossiele brandstoffen eten. Samen met de methaanuitstoot van de veeteelt, de uitstoot van stikstofoxiden via bemesting en de uitstoot die gepaard gaat met veranderingen in landgebruik, zorgt deze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen ervoor dat de landbouwsector vandaag een van de hoofdoorzaken van klimaatverandering is.

Ook op maatschappelijk vlak oogst de Groene Revolutie kritiek. Zo verdwijnt bijvoorbeeld niet alleen de diversiteit aan traditionele landbouwsystemen, maar ook de kennis die met die systemen gepaard gaat. Dit soort culturele erosie, het verlies aan traditionele kennis, bemoeilijkt de zoektocht naar duurzame alternatieven en vernielt de culturele identiteit binnen een landbouwgemeenschap.

Verder is gebleken dat de Groene Revolutie sociale onrechtvaardigheid in de hand werkt. De technologie is niet voor iedereen even toegankelijk, waardoor vooral grote boeren en landbouwbedrijven er op vooruit gaan. Kleine boeren kunnen zich de nieuwe technologie simpelweg niet veroorloven en zien door de concurrentiestrijd hun inkomsten dalen. Dat laatste dwingt hen soms om land te verkopen. Door de kwetsbare positie waarin ze zich bevinden worden de landrechten van kleine boeren vaak ernstig bedreigd, land grabbing en onteigeningen zijn geen uitzonderlijke praktijken. Komen ze voor hun rechten op, dan krijgen ze te maken met intimidatie en geweld. Het beschermen van landrechten van de inheemse bevolking en kleine boeren is in de geschiedenis al vaak genoeg een letterlijke strijd gebleken.

Een laatste belangrijk punt van kritiek is dat er uit de Groene Revolutie enkele grote spelers zijn ontstaan die momenteel de landbouwsector domineren en die via lobbywerk wegen op het beleid. Deze multinationals vinden hun oorsprong in de chemie en waren in eerste instantie producenten van herbiciden, pesticiden en kunstmest. Langzaamaan spitsten de bedrijven zich ook toe op andere delen van de landbouwsector, zoals de zadenmarkt en biotechnologie. Vandaag is de situatie op zijn minst ernstig te noemen. Met de overname van Syngenta door ChemChina en de fusie van Dow Chemical met DuPont, zullen er na de deal tussen Bayer en Monsanto slechts drie reuzen overblijven. Deze monopolisering is absoluut problematisch.

Al het voorgaande maakt duidelijk dat de Groene Revolutie zijn plaats heeft gehad in ruimte en tijd. Was de Groene Revolutie een goede zaak? Ja, maar wel met de nadruk op ‘was’. Het toepassen van de nieuwe technologie heeft wellicht miljoenen mensenlevens gered, waardoor het niet mag verwonderen dat Norman Borlaug, die gekend staat als de vader van de Groene Revolutie, in 1970 de Nobelprijs voor de Vrede ontving. Dit betekent echter niet dat het voedselsysteem voortgebracht door de Groene Revolutie model kan staan voor de landbouw van de toekomst. Het is volkomen overbodig de verwezenlijkingen van de Groene Revolutie weg te relativeren om in te zien dat de huidige situatie niet langer houdbaar is. Het is tijd voor iets anders.

Biotechnologie dan maar?

Biotechnologie is een breed begrip en omvat in principe alle technologie die gebruik maakt van biologische processen of die als doel heeft biologische processen te beïnvloeden. Het bewerken van land, de domesticatie van wilde gewassen en dieren en de productie van kaas en alcohol vallen op die manier allemaal onder deze noemer. Vandaag vinden we deze voorbeelden echter zo weinig spectaculair dat we ze nog nauwelijks als biotechnologie zouden aanduiden.

Dat dergelijke technologie geen indruk meer op ons maakt valt best te verklaren. Deze technologie is in de eerste plaats niets nieuws en bovendien worden we door de populaire media verwend met allerhande sensationele berichtgeving over het thema. Met name experimenten uit de genetica blijken tot de verbeelding te spreken. Het publiek wil Frankensteinverhalen lezen, en journalisten geven het publiek wat het wil. Fluorescente katten en vissen, spinrag producerende geiten en menselijke moedermelk afkomstig van een koe: dat levert gegarandeerd clicks op.

Wat dit ook oplevert, is een gepolariseerd debat. Sommigen zien enkel mogelijkheden, terwijl anderen in de eerste plaats gevaren zien. Zowel voor- als tegenstanders durven zich daarbij al eens te baseren op een sensationeel en gesimplificeerd beeld van gentechnologie, terwijl de realiteit juist erg complex is en dus veel ruimte laat voor nuance. Bent u een vurig voor- of tegenstander van gentechnologie, dan bent u waarschijnlijk slecht geïnformeerd.

Onder heel wat opponenten bestaat een onredelijke angst voor biotechnologie. Allerhande doemscenario’s doen de ronde en in het ergste geval komt men aandraven met het argument dat wetenschappers ‘niet voor God mogen spelen’. Deze houding is niet alleen irritant, ze is ook contraproductief. Kinderen vaccineren tegen Polio is ook ‘voor God spelen’. Bovendien geeft deze houding biotech-fanatici de kans hun critici af te schilderen als irrationele hippies of ‘anti-wetenschap’.

Fanatieke voorstanders surfen dan weer rustig verder op het optimisme dat ontstond tijdens de jaren negentig, een decennium dat gekenmerkt werd door een enorme vooruitgang op vlak van biotechnologie. Het menselijke genoom werd ontrafeld, van een aantal genetische ziektes werd de verantwoordelijke mutatie geïdentificeerd en in 1996 werd Dolly, het eerste gekloonde zoogdier, geboren.

Wetenschappers waren steeds meer in staat om de genetische code niet alleen te lezen, maar ook om deze naar hun hand te zetten. De verwachtingen waren hooggespannen, ook binnen de wetenschappelijk wereld zelf. Vooral naar toepassingen in de geneeskunde en de landbouw werd met veel anticipatie uitgekeken. Het inzetten van genetische manipulatie in de landbouw werd zo bij voorbaat al bestempeld als ‘Groene Revolutie 2.0’.

Vandaag blijkt dat dit optimisme enigszins misplaatst was. Hoewel de technologie ontzettend beloftevol blijft en de voordelen van genetisch gemanipuleerde gewassen werden aangetoond in tal van experimenten, is de impact ervan op de productiviteit in de praktijk vaak weinig spectaculair gebleken. Verder blijft ook de vermeende verduurzaming van de conventionele landbouw achterwege. De nieuwe technologie is doorgaans niet in staat de nodige input terug te drijven en in sommige gevallen levert het toepassen ervan zelfs het omgekeerde resultaat op. Over de werkelijke meerwaarde van gentechnologie bestaat een grote verdeeldheid, zelfs binnen de wetenschappelijke gemeenschap zelf. De bijdrage die het momenteel levert aan de landbouw is dan ook op zijn minst controversieel te noemen.

De ontwikkelingen doen ook socio-economische en juridische vragen rijzen. De hoeveelheid kritische publicaties zit in de lift en de sector moet jaarlijks met een groot aantal rechtszaken afrekenen. Biotechnologiebedrijven worden met name bekritiseerd om hun marktmacht, die hen in staat stelt zich in grote mate onafhankelijk van andere spelers te gedragen. Via patenten en contracten wenden ze deze unieke positie aan om lokaal de markt te controleren. Zo wordt de prijs van genetisch gemanipuleerd zaaigoed kunstmatig hoog gehouden en is het voor boeren verboden een deel van hun oogst te bewaren als zaaigoed voor het volgende seizoen. Er bestaat bijgevolg een grote bezorgdheid over het feit dat genetisch bronmateriaal steeds meer eigendom wordt van de private sector, in plaats van dat het deel uitmaakt van het publieke domein.

Ondanks alle kritiek weet de biotechnologiesector zich goed te slijten als hét antwoord op het voedselvraagstuk. Lobbywerk en draaideurpolitiek spelen hierin een rol, maar zijn zeker niet de enige factoren. Een minder expliciete factor is bijvoorbeeld het huidig heersende narratief rond de kwestie, waarin voedselzekerheid een rechtstreeks gevolg van totale productiviteit wordt geacht. Biotechnologiebedrijven maken hiervan handig gebruik om bij beleidsmakers aan te dringen op soepele wetgeving. We zouden niet zonder genetisch gemanipuleerde gewassen kunnen, willen we de wereldbevolking van de toekomst voeden; de productiviteit moet omhoog en het doel heiligt de middelen.

Onder het motto Feed the world gaan we zo compleet voorbij aan de realiteit van voedselzekerheid, die veel meer componenten omvat dan productiviteit alleen. Als je meer voedsel weet te produceren, wil dat bijvoorbeeld niet per se zeggen dat meer mensen er toegang tot hebben. Het is dus belangrijk om de bredere context niet uit het oog te verliezen. Bekijken we dat bredere plaatje, dan komen we tot een verhaal met enige nuance. Gentechnologie kan een bijdrage leveren aan duurzame landbouw, maar de manier waarop die vandaag wordt toegepast is hoogst problematisch. Verder is de technologie geenszins in staat om de industriële landbouw om te vormen tot een duurzaam voedselsysteem. Het landbouwmodel van de Groene Revolutie is onhoudbaar en biotechnologie kan het tij niet keren: een nieuw paradigma dringt zich op.

Agro-ecologie en kleinschaligheid, een alternatief

De meeste boeren in ontwikkelingslanden produceren voedsel op kleine schaal, wenden weinig externe input aan en rekenen vooral op handenarbeid om tot een succesvolle oogst te komen. Het geproduceerde voedsel is bestemd voor eigen consumptie of wordt verhandeld op de lokale markt. In de meeste gevallen is het gezin, naast landbouw, nog afhankelijk van andere activiteiten om te voorzien in hun levensonderhoud.

Het komt misschien als een verrassing, maar het is dit soort kleinschalige landbouw die het leeuwendeel van de wereldwijde voedselvoorziening op zich neemt. 60 procent van het geconsumeerde voedsel in de wereld wordt geproduceerd door kleinschalige landbouw in ontwikkelingslanden, en dat terwijl die slechts een klein deel van het totale landbouwareaal inneemt. Bovendien hebben deze boeren het potentieel om op een duurzame manier hun productie te verdubbelen, dat blijkt althans uit dit artikel. Als dit klopt, dan kunnen kleine boeren 120 procent van de geconsumeerde hoeveelheid voedsel in de wereld produceren, meer dan genoeg dus om de wereldbevolking te voeden.

Naar schatting 2,5 miljard mensen zijn voor hun levensonderhoud rechtstreeks afhankelijk van kleinschalige landbouw. Met een beleid dat op hen afgestemd is kan je dus niet alleen grote winsten boeken qua productiviteit, je bereikt er ook geweldig veel mensen mee. Een goed beleid heeft zo een enorm potentieel om bij te dragen aan de economische ontwikkeling van een land.

Binnen de internationale gemeenschap wordt steeds vaker aangedrongen op een beleid dat inzet op kleinschalige landbouw. Internationale fondsen en panels zoals IPES spelen daarin een belangrijke rol, waarbij zij kunnen terugvallen op een groeiende stapel wetenschappelijke literatuur. Een van de voornaamste aanbevelingen is het in de praktijk brengen van agro-ecologie.

Agro-ecologie wordt op verschillende manieren gedefinieerd. In strikte zin is het de wetenschap die bestudeert hoe ecologische principes toegepast kunnen worden in de landbouw. Andere definities beschrijven agro-ecologie als een set van principes en de praktische toepassing ervan, waardoor het dan veel gelijkenissen vertoont met permacultuur en de organische landbouw. In de meest brede omschrijving omvat agro-ecologie ook expliciet economische en sociale dimensies.

In de praktijk komt agro-ecologie vooral neer op het inzetten van natuurlijke processen en het omschakelen van een inputsysteem naar een systeem van procesbegeleiding. Diversiteit en connectiviteit zijn daarbij belangrijke begrippen.

Door het nabootsen van complexe ecologische interacties wordt een boerderij omgevormd tot een soort ecosysteem. In een eerste stap wordt de functionele diversiteit verhoogd door in te zetten op een grote variatie aan gewassen en kleinvee. Het verhogen van de diversiteit gebeurt in tijd en ruimte, zowel in het veld als op landschapsniveau. Vervolgens wordt de connectiviteit tussen de verschillende componenten van het agro-ecosysteem bevorderd om te komen tot voordelige en elkaar versterkende interacties. Goed doordachte mengteelt en gewasrotatie zijn klassieke voorbeelden van deze strategie.

Niet-hernieuwbare input wordt geminimaliseerd door natuurlijke regeneratieve processen te integreren in het agro-ecosysteem en door de verspilling van energie, water, grondstoffen en mineralen tegen te gaan. Denk daarbij aan recyclage van biomassa, composteren en het handhaven van een gezond bodemprofiel door de organische component te monitoren en de biologische activiteit te verhogen.

Wanneer toch externe input nodig is, wordt dit gezien als symptoombestrijding. Blijkt het bijvoorbeeld noodzakelijk om kunstmest in te zetten, dan wil dit in de eerste plaats zeggen dat de bodem wordt uitgeput. In agro-ecologie is dat het signaal om het regeneratieve proces dat instaat voor het behoud van een gezonde bodem te evalueren en bij te sturen. Agro-ecologie wendt dus niet alleen processen aan, het is op veel manieren ook zelf een proces.

Agro-ecologie is op vele vlakken erg beloftevol. Zo kan het op een duurzame manier instaan voor onze voedselproductie en verhoogt het de veerkracht van een voedselsysteem, twee zaken die met het oog op de klimaatverandering erg betekenisvol zijn. Door rekening te houden met de lokale context en door verder te bouwen op traditionele kennis wordt bovendien culturele erosie vermeden. Dat de toepassing ervan weinig input vereist, maakt het model ook toegankelijk voor boeren met een beperkt kapitaal. Spanningen worden vermeden, een samenleving wordt van onderuit opgebouwd en de productiemiddelen blijven eigendom van de boeren zelf. Zij hebben dan ook in grote mate controle over hun eigen voedselvoorziening, waardoor voedselsoevereiniteit quasi gegarandeerd is.

De zichtbare voordelen en de aanbevelingen van internationale instellingen hebben er toe geleid dat vandaag tal van ngo’s inzetten op agro-ecologie. Ook bij Broederlijk Delen is de boodschap aangekomen. Zo wordt in het noorden van Oeganda samengewerkt met de Lango Food Security and Nutrition Cluster (LFSNC). De cluster omvat momenteel acht organisaties die elk vanuit hun eigen invalshoek werken aan betere levensomstandigheden voor kleine boeren.

Agro-ecologie vormt voor de cluster een verbindend thema. Via training, workshops en farmer field schools worden de capaciteiten van extensiewerkers en kleine boeren versterkt. ICES, een organisatie uit die cluster, beheert bijvoorbeeld een demonstratieboerderij in Apac. Boeren kunnen daar in de praktijk zien wat de mogelijkheden zijn. Momenteel wordt door ICES een tweede, kleinere demonstratiesite aangelegd net buiten Lira. Voor Broederlijk Delen en zijn partners is het duidelijk: agro-ecologie is de toekomst. Duurzaamheid, voedselzekerheid en economische ontwikkeling hoeven elkaar absoluut niet uit te sluiten.

En nu?

In feite moeten er nu twee dingen gebeuren.

Ten eerste moet agro-ecologie integraal deel gaan uitmaken van het publieke debat rond duurzaamheid. Zonder druk vanuit de publieke opinie is het immers onwaarschijnlijk dat de landbouw de nodige transitie zal doormaken. Sensibilisering speelt hierin een cruciale rol. Momenteel worden de alternatieven nog te vaak zonder meer aan de kant geschoven. De kleinschalige landbouw blijkt voor sommigen niet meer te zijn dan een verzameling inefficiënte keuterboeren. Nee minister Schauvliege, u heeft er geen snars van begrepen, het is net de conventionele landbouw die in Europa het bulk van de subsidies ontvangt.

Ten tweede is er nood aan een beleid dat afgestemd is op kleinschalige landbouw en dat actief het toepassen van agro-ecologie stimuleert. Dat we hierin nog een lange weg te gaan hebben blijkt uit de uitkomst van COP23, de VN-klimaatgesprekken van november 2017 in Bonn, die voor de landbouw kort samengevat kan worden als een teleurstelling. De oplossingen zijn gekend, maar tot concrete actie werd er niet beslist.

Geschreven door Bram Jacobs, coöperant in Oeganda.