13 maart 2018 - Recht op voedsel - Klimaat

Als voormalig VN rapporteur over het recht op voedsel en covoorzitter van IPES Food is Olivier De Schutter goed geplaatst om onze vragen over honger in de wereld te beantwoorden. Katelijne Suetens, Beleidsmedewerker recht op voedsel, ging met hem in gesprek.

Waarom lijden 815 miljoen mensen honger, terwijl er genoeg voedsel geproduceerd wordt om iedereen op de wereld te voeden?

"Het is vandaag de dag geen kwestie van meer voedsel produceren. De vraag die we ons moeten stellen is hoe we een einde kunnen maken aan de vicieuze cirkel waarin we gevangen zitten. Verarmde kleinschalige boeren worden uit de landbouw geduwd omdat hun manier van landbouw bedrijven geen inkomen meer oplevert. Ze trekken in grote getale naar de steden waar ze jobs aangeboden krijgen die slecht betalen, vaak in de informele sector, zonder sociale bescherming. En omdat er een overaanbod is aan mensen die willen werken, hebben ze geen onderhandelingsmacht om betere lonen te eisen. Zo krijg je een vicieuze cirkel. Armoede in rurale gebieden leidt tot migratie naar de stad, wat weer resulteert in de groei van stedelijke armoede. We moeten wegtrekken van deze vicieuze cirkel naar een duurzame cyclus waarin kleinschalige landbouw beter verloond wordt, beter ondersteund wordt en waarin minder mensen redenen hebben om naar de steden te trekken. Zo krijgen de stedelijke bewoners meer onderhandelingsmacht en kunnen ze ijveren voor deftige lonen. We hebben daarnaast nood aan sociale bescherming, eerlijke minimumlonen voor stedelingen en een eerlijke verloning voor het werk van de boeren. Dat is de enige manier om honger uit te bannen. Het is geen technisch probleem meer, maar een probleem van sociale rechtvaardigheid. Het is een probleem van een politieke keuze. Het is een probleem van het ontwikkelingsmodel waarvoor we kiezen."

Honger is geen technisch probleem meer, maar een probleem van sociale rechtvaardigheid. Het is een probleem van een politieke keuze. Het is een probleem van het ontwikkelingsmodel waarvoor we kiezen.

We leren en horen tegenwoordig heel wat over klimaatverandering en de gevolgen hiervan. Hoe belangrijk is klimaatverandering in deze context?

Klimaatverandering is belangrijk op twee manieren. Langs de ene kant is het voor een groot deel het gevolg van de manier waarop wij gekozen hebben om aan landbouw te doen. Grootschalige monoculturen die de bodemgezondheid verwoesten, die biodiversiteit verkleinen en die mannen en vrouwen vervangen door machines, verhogen de uitstoot van broeikasgassen en versnellen de opwarming van de aarde. Landbouw en vooral industriële landbouw heeft de klimaatverandering doen toenemen.

Langs de andere kant tast klimaatverandering de landbouw aan, zodat het vandaag moeilijker wordt om de oogsten te voorspellen, wat het weer moeilijker maakt om te plannen wanneer je moet zaaien of oogsten. Vandaag worden boeren overal bedreigd door klimaatverandering, niet alleen in het Zuiden, ook hier bij ons. Het wordt moeilijker en moeilijker voor boeren om zich hieraan aan te passen.

Boeren produceren voedsel. Toch zijn de helft van de mensen in de wereld die honger hebben boeren. Hebben we hier niet met een paradox te maken?
koffieboer Oeganda

ODS: Het is een paradox dat meer dan de helft van de mensen in de wereld die honger hebben in rurale regio’s wonen en afhankelijk zijn van kleinschalige, familiale landbouw. En dat is het gevolg van onze prioriteiten in de soort investeringen die we doen, in het beslissen wie we helpen en in de technologie die we ontwikkelen. We hebben grootschalige, gemechaniseerde, industriële landbouw voorrang gegeven. En we hebben de noden van zij die op kleine stukjes land werken, vaak in familiaal verband, met zeer slechte toegang tot de markt door het ontbreken van deftig transport, verwaarloosd. Zij blijven afhankelijk van tussenpersonen die van dorp naar dorp reizen en beslissen over de prijs voor mais, koffie of gierst. Deze kleinschalige boeren zijn nooit geholpen. Ze werden nooit ondersteund door overheden. De reden waarom ze niet ondersteund worden ligt in het feit dat ze niet veel belastingen betalen, omdat ze zeer arm zijn. Ze produceren ook niet voor de exportmarkt en zorgen dus niet voor buitenlandse valuta voor de overheid. Ze worden algemeen gezien als niet zo productief. Maar, als ze geholpen en ondersteund zouden worden, als ze onder de juiste omstandigheden kunnen werken, kunnen ze zeer productief worden. Maar op dit moment worden ze verwaarloosd.

Over grootschalige, industriële landbouw gesproken. De meeste mensen denken dat al ons voedsel op deze manier geproduceerd wordt. Klopt dat?

ODS: Wereldwijd wordt het meeste voedsel dat we eten geproduceerd door kleinschalige boeren. Wat wel waar is, is dat het voedsel dat internationaal verhandeld wordt in de grote productieketens, geproduceerd wordt door grootschalige boerderijen die het voordeel hebben van schaalvergroting. Zij kunnen grote volumes produceren van grondstoffen die gekocht worden door voedselbedrijven die deze gebruiken als input voor verwerkt voedsel. Ons perspectief is zeer eenzijdig. Zo lang we afhankelijk blijven van deze grote productieketens, hebben we de indruk dat het meeste voedsel industrieel tot stand komt. Maar de realiteit is dat 75 tot 80% van het voedsel wereldwijd, geproduceerd wordt op kleine boerderijen. Hele kleine boerderijen, die niet ondersteund worden en meestal aangewezen zijn op lokale en regionale markten.

Maar de realiteit is dat 75 tot 80% van het voedsel wereldwijd, geproduceerd wordt op kleine boerderijen. Hele kleine boerderijen, die niet ondersteund worden en meestal aangewezen zijn op lokale en regionale markten

Vanuit uw expertise in het recht op voedsel en kleinschalige landbouw, wat kunnen en moeten we doen, zowel consumenten als overheden, om honger de wereld uit te helpen?

Er kunnen heel wat acties ondernomen worden om het hongervraagstuk op te lossen. Er is geen magische oplossing die honger de wereld uit kan helpen. We moeten de sociale bescherming versterken, investeren in levensverzekering voor de risico’s die mensen op hun pad vinden. Op deze manier gaan we ook minder grote families zien. Nu zien boeren in het Zuiden kinderen als een garantie voor hun oude dag. Ze willen veel kinderen, in de hoop dat er enkele overleven en hen ondersteunen als ze ouder zijn. We moeten kleinschalige boeren beschermen tegen het risico om bedrogen te worden door tussenpersonen en aankopers, want kleinschalige boeren hebben nu geen onderhandelingsmacht in de voedselketen. Overheden moeten hen ondersteunen door informatie over prijzen ter beschikking te stellen, door hen te helpen zich te verenigen in coöperaties, door hun onderhandelingsmacht te versterken, door hen toe te staan een eerlijk loon te verdienen voor hun producten of voor het werk dat ze doen.

Uien Burkina FasoEr moet zeker overal een wetgeving opgelegd worden over minimumlonen, zodat mensen in loondienst een deftig loon ontvangen. Ook moeten we de kwestie van prijsvolatiliteit aanpakken. Een van de redenen waarom kleinschalige boeren zo vaak zo arm zijn dat ze de landbouw verlaten is omdat de prijzen voor landbouwproducten zo volatiel zijn. Ze zijn afhankelijk van de prijs van energie, ze fluctueren als gevolg van natuurrampen en klimaatverandering, veranderende neerslagpatronen en droogte. We kunnen boeren beschermen tegen prijsvolatiliteit door goed na te denken over het gebruik van voedselreserves en kopen van de boeren wanneer de prijzen laag zijn en stocks vrijgeven wanneer de prijzen hoog zijn. Er zijn verschillende acties die overheden samen kunnen nemen.

We weten dat u een groot voorstander bent van agro-ecologie en diversiteit in voedselproductie. Kan u ons uitleggen wat agro-ecologie juist is?

Er bestaan veel misconcepties over wat agro-ecologie juist is. Ten eerste dat het een terugkeer naar het verleden zou zijn, naar de traditionele manier van landbouw bedrijven met lage productiviteit, overlevingslandbouw als het ware. Agro-ecologie is ook geen biologische landbouw, zonder het gebruik van pesticides of kunstmeststoffen. Agro-ecologie gaat over een gediversifieerd landbouwsysteem waarin planten, bomen, dieren … met elkaar in interactie gaan om een diversiteit aan voedsel te produceren met minder input dankzij de bossen, planten en dieren die zorgen voor een natuurlijke bemesting. Met als resultaat meer voor minder. Hoge opbrengsten met een minimum aan externe input en dus een lagere productiekost. Agro-ecologie is dus niet alleen belangrijk omdat het een manier is om de ecologische voetafdruk van de landbouw te verkleinen, het is ook belangrijk omdat het de opbrengsten voor de boer kan verhogen. Hij kan veel verschillende gewassen produceren op het land dat hij bewerkt en kan dit doen aan een minimale kost omdat er veel minder externe input nodig is. Als je bomen, acacia bijvoorbeeld, gebruikt om de grond vruchtbaar te maken en peulvruchten zoals kikkererwten om de grond van stikstof te voorzien, dan heb je minder meststoffen nodig. Door middel van de juiste planten bij elkaar te zetten, kan je op een biologische manier je oogst beschermen tegen insecten. Op die manier heb je minder bestrijdingsmiddelen nodig. Met als resultaat minder kosten verbonden aan de landbouwactiviteit.  

Agro-ecologie is dus niet alleen belangrijk omdat het een manier is om de ecologische voetafdruk van de landbouw te verkleinen, het is ook belangrijk omdat het de opbrengsten voor de boer kan verhogen.

Broederlijk Delen werkt oa in Oeganda, waar er zeer vruchtbare gronden zijn en een mild klimaat. De mensen produceren er voldoende voedsel, maar het probleem is dat hun voeding niet voldoende voedingsstoffen bevat omdat ze altijd hetzelfde gewas produceren dat wel genoeg koolhydraten oplevert, maar geen vitaminen. Kan agro-ecologie daarvoor een oplossing bieden?

Diversiteit op het veld, wat we nastreven met agro-ecologie, leidt tot diversiteit op het bord. Het is heel duidelijk dat als je alleen mais, gierst of maniok produceert, je dieet niet gevarieerd of gezond genoeg is. Agro-ecologie zoekt naar de juiste mix van planten, bomen en dieren die een rol kan spelen in een gediversifieerd landbouwsysteem. Hoe kunnen we ze combineren om niet alleen agro-ecologische diversiteit te bekomen, maar ook een gezonder voedingspatroon.

Agro-ecologie heeft nood aan beleidssteun. Waarom nemen beleidsmakers niet de juiste maatregelen en nodige stappen om het voedselsysteem te veranderen? Ook in het geval van klimaatverandering, waar ze allemaal van op de hoogte zijn, gebeurt er niet veel. Waarom?

Dit zijn twee verschillende vragen: waarom wordt kleinschalige, familiale landbouw niet ondersteund door de beleidsmakers en waarom zien we geen steun voor agro-ecologie. Ik geloof dat een van de redenen waarom kleinschalige boeren niet ondersteund worden gewoon komt door het feit dat zij geen politieke invloed hebben. Ze zijn slecht georganiseerd, protesteren niet in de steden, ze hebben geen tijd om politiek actief te zijn en heel vaak is er vanuit de stedelijke elite geen interesse in het ondersteunen van kleinschalige boeren. Het politieke zwaartepunt ligt in de steden en de politieke stabiliteit rust op de stedelijke bevolking. Daarom zien we vaak beleidsmakers die de toegang tot goedkoop voedsel voor de stedelijke bewoners voorop stellen, ten nadele van de kleinschalige boeren en de mogelijkheid voor hen om een degelijk inkomen te verwerven. Dus, het gebrek aan politieke macht en het onvermogen om zich te verenigen in invloedrijke politieke groepen is een van de grootste redenen waarom kleinschalige boeren genegeerd worden in het beleid. En wat betreft agro-ecologie, daar zien we hele andere redenen waarom beleidsmakers niet staan te springen om dit te ondersteunen. Er heerst nog veel ongeloof jegens agro-ecologie. Veel beleidsmakers staan er sceptisch tegenover. Ze geloven niet dat het even productief kan zijn als industriële landbouw en dat is, voor een groot deel, gebaseerd op de misperceptie dat agro-ecologie een terugkeer naar het verleden zou zijn. Ook hebben ze een verkeerd beeld over wat productiviteit juist is en hoe het moet gemeten worden.

 Het gebrek aan politieke macht en het onvermogen om zich te verenigen in invloedrijke politieke groepen is een van de grootste redenen waarom kleinschalige boeren genegeerd worden in het beleid.

Als je op een groot stuk land enkel mais produceert, kan je uitpakken met een productiviteit van 9 of 10 ton per hectare. Dat is super. Als je dat land bewerkt op basis van agro-ecologische principes, dan produceer je een verscheidenheid aan gewassen. Mais, maar misschien ook wat fruitbomen, peulvruchten of gewassen bestemd voor dierenvoeding. De totale opbrengst zal de moete zijn, maar niet in de buurt van die 9 of 10 ton per hectare komen. In statistieken komt het agro-ecologisch bewerkte stuk grond dus onder het industrieel bewerkte stuk grond wat betreft opbrengst. Terwijl het net een hele hoge opbrengst heeft, ware het niet dat de manier waarop we meten gebaseerd is op monoculturen in geïndustrialiseerde landen. Het punt is dat agro- ecologie heel productief kan zijn, het kan heel verlonend zijn voor de boeren en het kan goed zijn voor de gezondheid van de bodem en de volksgezondheid. Maar het wordt niet als prioritair beschouwd door beleidsmakers omdat het misbegrepen wordt en beschouwd wordt als irrelevant voor de uitdagingen van vandaag.

Zijn er nog redenen of beperkingen, die het huidige voedselsysteem onveranderd laten en ons tegenhouden om een nieuwe richting in te slaan? Veel consumenten zijn zich bewust van de fouten in het systeem, maar het is moeilijk te veranderen. Waarom?

Een groot obstakel is het gebrek aan middelen voor overheden om serieus te investeren in infrastructuur zoals wegen, opslagmogelijkheden, vorming voor boeren enz .. wat een concrete ondersteuning voor de kleinschalige boeren zouden zijn. Boeren die verspreid wonen over grote afstanden, slecht uitgerust zijn, en niet goed genoeg georganiseerd zijn om te kunnen genieten van publieke goederen.

Het geld zit bij de private sector en de private sector is enkel geïnteresseerd om te investeren in middelgrote tot grote boerderijen, omdat zij de grote volumes kunnen produceren die de industrie nodig heeft. Want, werken met een beperkt aantal toeleveranciers houdt de transactiekosten laag. Wanneer je te maken hebt met honderden, duizenden kleinschalige boeren, die elk een klein volume produceren, wordt het veel duurder voor de koper. Met als gevolg dat de kopers, de grote grondstoffenkopers, niet echt geïnteresseerd zijn om te investeren in kleinschalige landbouw. Terwijl het deze investeringen zijn waar de ontwikkeling van de landbouw van afhankelijk is. Overheden hebben veel minder financiële mogelijkheden om te investeren in landbouw dan de private sector, maar de private sector is niet geïnteresseerd in het verminderen van rurale armoede. Zij zijn geïnteresseerd, uiteraard, in goed functionerende productketens.

U zei eerder al dat de boeren niet goed georganiseerd zijn en dat de stedelijke elite niet geïnteresseerd is in rurale gemeenschappen. Ons werk speelt zich voornamelijk af in rurale gebieden, want onze partners zijn daar aanwezig. Zij zouden zich dus beter moeten organiseren als ik u goed begrepen heb. Zijn er andere manieren hoe zij hun overheden kunnen beïnvloeden zodat zij wel geïnteresseerd raken in rurale ontwikkeling en kleinschalige landbouw?

Een van de grote redenen waarom kleinschalige boeren zo slecht georganiseerd zijn, gaat terug naar de jaren zeventig, tot het midden van de jaren tachtig. Veel coöperaties, die de bedoeling hadden om boeren te organiseren, werden eigenlijk geleid door de staat en waren niet democratisch. Eigenlijk bedrogen zij de boeren. De overheden gaven enkel steun aan de boeren als ze cacao, tabak, koffie, pinda’s, alles wat viel onder de noemer exportlandbouw, zouden produceren zodat overheden toegang hadden tot buitenlandse valuta. Met als gevolg dat de boeren sceptisch werden ten aanzien van coöperaties.

Cosil coöperatie Oeganda
Vandaag de dag, sinds vijftien jaar ongeveer, zien we een nieuwe generatie coöperaties ontstaan die veel democratischer zijn, die ontstaan vanuit de basis en gecontroleerd worden door de boeren zelf en veel beter georganiseerd zijn. Niet alleen om aan schaalvergroting te kunnen doen en toegang te krijgen tot publieke goederen zoals het transport van grondstoffen, een opslagmagazijn enz.. maar ook om hun onderhandelingspositie te versterken in de productketens en hen toe te laten om politieke macht te veroveren. Het is vitaal dat boeren een politieke macht worden, die beleidsmakers niet kunnen negeren. En langzaam maar zeker beginnen de dingen te veranderen. In West-Afrika bijvoorbeeld worden boerenvakbonden veel belangrijker. De Via Campesina, grote federaties van boeren, zien het licht in verschillende regio’s en ik ben hoopvol dat overheden beginnen te luisteren.

U spreekt over wat organisaties, ngo’s, het middenveld en boerenorganisaties in het Zuiden kunnen doen. Hebt u enig advies voor ons, een Belgische ontwikkelingsorganisatie? Welke acties kunnen wij ondernemen?

Wat consumenten in het Noorden kunnen doen is heel moeilijk te definiëren. Want aan de ene kant moeten zij lokale voedselsystemen helpen versterken. Want wat ik denk waar veel mensen het over eens is, is dat we te veel geïnvesteerd hebben in het ontwikkelen van wereldwijde productketens en de focus op het bouwen van lokale voedselsystemen verwaarloosd hebben. Dat is waar, zowel in het Noorden als in het Zuiden. Het is belangrijk om te verstaan dat kleinschalige landbouw bloeit en meer succes heeft in lokale en regionale markten. Zij zijn niet de meest competitieve of het best uitgerust voor wereldwijde productketens. We moeten dus opnieuw investeren in lokale landbouwsystemen. Aan de andere kant, niet alles kan plaatselijk geproduceerd worden. Alleen al voor landbouwtechnische redenen en omdat seizoenen verschillen van regio tot regio. Dus, wat nog geïmporteerd moet worden van veraf en getransporteerd moet worden over lange afstanden, daarvoor moeten we de principes van eerlijke handel respecteren. Dat betekent een gegarandeerde prijs voor de boer en hem beschermen tegen prijsschommelingen. Dat betekent ook de boer voorzien van een premie die geïnvesteerd kan worden in sociale projecten. Eerlijke handel moet veel beter ondersteund worden door beleidsmakers, door fiscale voordelen bijvoorbeeld, en door een betere informatiedoorstroming naar de consument. Consumenten kunnen volgens mij heel veel doen, maar ze moeten toegang hebben tot de juiste informatie en ondersteund worden door de juiste beleidskeuzes.

Ook in België proberen wij de beleidsmakers te beïnvloeden. Dit jaar, tijdens onze vastencampagne, lanceren we een petitie om onze eis voor een ander voedsel- en landbouwbeleid te ondersteunen. Waarom zouden mensen onze petitie moeten tekenen?

Voedsel en landbouw zijn absoluut essentieel en het is belangrijk om ze samen te brengen. Landbouw moet niet gescheiden worden van de manier waarop mensen eten. Het voedsel- en landbouwsysteem is essentieel en wel om drie redenen. Ten eerste is het een van de grote factoren die de grenzen van onze planeet in gevaar brengt. Denk aan klimaatverandering: 30% van de uitstoot van broeikasgas wordt veroorzaak door voedselsystemen. Het verlies aan biodiversiteit is grotendeels te wijten aan de ontwikkeling van monoculturen, overal ter wereld. De fosfor- en stikstofcyclus zijn zeer afhankelijk van industriële landbouw en hoe deze ontwikkeld wordt. Kortom, de grote ecologische impact die wij hebben op onze planeet heeft te maken met de manier waarop we voedsel produceren en consumeren. Ten tweede is voedsel natuurlijk essentieel voor onze gezondheid. We hebben niet alleen te maken met 800 miljoen mensen in de wereld die honger hebben, maar we hebben ook 2 biljoen mensen die ondervoed zijn, die essentiële vitaminen en mineralen missen om hen gezond te houden. Daarnaast zijn er 1 biljoen mensen obees, met als gevolg een kortere levensspan en het risico op ontwikkeling van diabetes en andere ziektes. En ten derde, voedsel en landbouw staan in het hart van armoedebestrijding in het Zuiden. Als we niet investeren in rurale gemeenschappen om voedsel voor zichzelf te produceren en als we blijven aanvaarden dat ze arm blijven tenzij ze emigreren naar de steden om de sloppenwijken te bevolken, dan falen we in het bestrijden van honger. We moeten dringend investeren in familiale landbouw, in kleinschalige landbouw in het Zuiden om de toestroom van mensen die naar de steden migreren te verminderen en van landbouw een meer verlonende activiteit te maken voor de jongere generatie.

Aan welke kenmerken moet een nieuw en alternatief voedsel- en landbouwsysteem volgens u voldoen?

ODS: Ik geloof dat het voedselsysteem van de toekomst, als het levensvatbaar wil zijn, duurzaam moet zijn en een menswaardig leven moet bieden aan zij die er van afhankelijk zijn. Het moet gebaseerd zijn op voedselsoevereiniteit. Voedselsoevereiniteit gaat niet over zelfbestuur, het gaat niet over zelfredzaamheid, nee dat zijn misverstanden rond voedselsoevereiniteit. Voedselsoevereiniteit gaat over het opnieuw opbouwen van lokale voedselsystemen, opnieuw investeren in lokale en regionale voedselketens en lokale en regionale markten en niet over het maken van keuzes, gebaseerd op exportgerichte landbouw en de nood om competitief te zijn op de internationale markten. Tot nu toe zagen we enkel beleidskeuzes die er op gericht zijn om voedsel te exporteren en te transporteren over lange afstanden. Met als gevolg het verdwijnen van kleinschalige boeren in België, Europa en in andere regio’s van de wereld. Het heeft een grote impact op onze voedselinname, want meer en meer van ons voedsel is hevig bewerkt om lang houdbaar te blijven en over lange afstanden getransporteerd te kunnen worden. En het heeft een grote impact op rurale ontwikkeling, op het verdwijnen van boerderijen met als resultaat concentratie van land en het ontvolken van veel rurale gebieden. We moeten dus opnieuw investeren in lokale voedselsystemen en voedsel soevereiniteit gaat juist daarover. Het gaat over het opnieuw in evenwicht brengen van onze inspanningen. Dus niet alles investeren in wereldwijde productketens en exportgedreven landbouw, maar ook investeren in lokale voedselsystemen. Dat is, denk ik, waar we naar moeten streven.

U bent ook betrokken bij de herwerking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie. Hebt u al concrete voorstellen voor het nieuwe GLB? Want wat er hier in Europa beslist wordt heeft sowieso een impact op wat er gebeurt in het Zuiden.

We hebben zeker nood aan een hervorming van het landbouwbeleid. De hervormingen in het verleden gingen in de juiste richting, zeker met het vergroenen van het gemeenschappelijk landbouw beleid dat bereikt werd, maar ze gaan niet ver genoeg. Er is meer nodig. In plaats van een landbouwbeleid hebben we een voedselbeleid nodig. Met andere woorden, landbouwbeleid moet samen sporen met gezondheidsbeleid, met milieubeleid, met sociale bescherming, met tewerkstelling en met onderwijs. Vandaag de dag hebben we een beleid op al deze vlakken, maar geen voedselbeleid dat alles samen brengt. En dat is heel belangrijk. Je kan de manier waarop we voedsel produceren niet hervormen, zonder de manier waarop mensen eten te hervormen, zonder te hervormen hoe scholen voeding aankopen. Er moet nagedacht worden over hoe mensen tijd vinden om te koken en maaltijden te bereiden voor hun familie.

Er zal geen succes geboekt worden zonder na te denken over hoe extreem arme families in staat zullen zijn om zich te voeden als we wegtrekken van de lage kost-voedseleconomie die we ontwikkeld hebben. We hebben nood aan een holistische aanpak. We hebben een Europees voedselbeleid nodig, geen landbouwbeleid, en daar pleit ik voor.

De Belgische ontwikkelingssamenwerking heeft recent een nieuwe landbouwstrategie gelanceerd onder de noemer ‘From subsistence to entrepreneurship’. Als middenveld betreuren we de verschuiving van de focus weg van familiale en duurzame landbouw ten voordele van een grotere marktlogica die boerderijen wil integreren in grote voedselketens, met een groeiende rol voor de private sector. Wat denkt u daarvan?

Een van de grootste obstakels voor kleinschalige boeren, die het moeilijk maakt voor hen om te overleven met landbouw, is hun gebrek aan markttoegang. Ze zijn te arm om een truck te kopen om hun producten te transporteren. Ze zijn dus volledig afhankelijk van de prijs die de tussenpersonen hen willen bieden. Vaak kunnen ze meer produceren, maar doen ze dat niet, omdat ze hun surplus niet kunnen verkopen. Veel gewassen gaan ook gewoon verloren omdat ze niet op tijd verkocht kunnen worden. Dus ik begrijp heel goed de nood om boeren betere markttoegang te geven. Maar, er zijn verschillende markten waarop we kunnen inzetten. En het is een vergissing om te denken dat al deze boeren succes kunnen hebben in wereldwijde productketens en het industrieel voedselsysteem dat dominant is in onze regio. Veel van de boeren zouden veel meer succes hebben als we lokale markten ontwikkelen, hen toelaten om te verkopen aan een betere prijs en zorgen dat ze betere toegang hebben tot stedelijke markten en hen beter informeren over de kopers die beschikbaar zijn. Zo versterken we hun onderhandelingsmacht. We moeten ons er van bewust zijn dat markten op verschillende manieren ontwikkeld kunnen worden, met verschillende impact op het verminderen van rurale armoede. Als we het goed doen, kunnen we kleinschalige boeren ondersteunen door het ontwikkelen van markten, maar dan wel lokale en regionale markten in plaats van internationale markten.

De oplossingen die in het verleden gebruikt werden, zoals bijvoorbeeld tijdens de Groene Revolutie, zijn deze nog bruikbaar om een populatie van 10 biljoen, zoals voorspeld tegen 2050, te voeden?

De jaren 50, 60 en 70 stonden volledig in het teken van de Groene Revolutie, het introduceren van een serie technologische innovaties in de landbouw, toegepast in Latijns-Amerika en Zuid-Azië. Mechanisatie, grootschalige irrigatie, nieuwe plantenvariëteiten (de zogenoemde hoge opbrengst variëteiten) en het massale gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen om de productie te verhogen. Met als gevolg een grote stijging van de opbrengsten op grote monoculturen die bewerkt werden door tractoren. Op dat moment was deze revolutie nodig, omdat veel regio’s ondermaats produceerden. In die zin ben ik er van overtuigd dat de Groene Revolutie hongersnood is tegengegaan op veel plaatsen, voornamelijk in Zuid-Azië in de jaren zestig.

Het probleem is dat deze manier van werken ons vandaag voor een aantal uitdagingen stelt. En de uitdagingen van 2018 zijn niet dezelfde als die van 1965. Ten eerste zorgde de Groene Revolutie voor een hevige vervuiling van grond en water. Ten tweede, veel boeren konden genieten van de voordelen van de Groene Revolutie, konden hun opbrengsten verhogen door hun land te bewerken met een tractor bijvoorbeeld, maar veel anderen konden dat niet. Ze hadden geen toegang tot krediet, hun land was te klein, ze konden geen tractor kopen, met als gevolg dat ze verdreven werden uit de landbouw of niet verder kwamen dan overlevingslandbouw omdat ze niet konden concurreren in deze nieuwe omgeving. Ten derde, als gevolg van de Groene Revolutie, kregen we te maken met verminderde biodiversiteit, in die mate dat het een gevaar voor de volksgezondheid dreigt te worden. We produceren voldoende calorieën per persoon, meer dan noodzakelijk trouwens, maar we hebben de voedingsstoffen en nutriënten verwaarloosd. De kwaliteit van onze voeding zijn we uit het oog verloren. En dit is een probleem waar we niet genoeg aandacht voor hebben. We hebben dus nood aan een andere oplossing. We moeten gaan naar vormen van landbouw die meer aandacht hebben voor het behoud van de bodem, voor een economisch gebruik van water, meststoffen enz. Langzaamaan moeten we voedselproductie losweken van de fossiele energiebronnen die centraal stonden in de Groene Revolutie. We moeten landbouwsystemen ontwikkelen die veel meer produceren per input, en dus het gebruik van inputs in het algemeen verlagen. En we moeten voedselsystemen ontwikkelen, gericht op armoedebestrijding. En dat betekent, in mijn ogen, het creëren van eerlijke en kwalitatieve tewerkstelling in de landbouw, eerder dan systematisch mannen en vrouwen vervangen door machines. Want vandaag de dag is er simpelweg niet genoeg tewerkstelling om alternatieven te voorzien voor de boeren die verdreven worden uit de landbouw. De industrie en de dienstensector evolueren niet snel genoeg om al deze arbeid uit rurale regio’s te absorberen.

Agro-ecologie, investeren in kleinschalige landbouw, investeren in lokale voedselsystemen, het zijn allemaal manieren waarmee we een alternatief kunnen bieden aan kleinschalige boeren. Zo kunnen ze hun productie verbeteren, krijgen ze betere markttoegang, een meer menswaardig bestaan en maakt hopelijk, landbouw weer aantrekkelijk voor de volgende generatie.