Exact 70 jaar geleden, op 15 mei 1948, riep Israël zijn onafhankelijkheid uit. Terwijl de Israëli’s vandaag de 70ste verjaardag van hun staat vieren, herdenken de Palestijnen de Nakba of 'catastrofe'.

750.000 Palestijnen verlieten toen hun huizen. Israël stelt dat het niet verantwoordelijk is voor deze massale ontheemding, maar wel de invallende Arabische legers. Een heel aantal Palestijnen was echter al vóór de eerste Israëlisch-Arabische oorlog op de vlucht geslagen, zeker nadat ze gehoord hadden dat een zionistische militie een maand ervoor meer dan honderd Palestijnse burgers gedood had in het dorp Deir Yassin.

Langdurig ballingschap

Meer dan 80% van de Palestijnse bevolking verliet uiteindelijk de staat Israël en kon nimmer terugkeren. De verhoopte tijdelijke afwezigheid draaide uit op een langdurige ballingschap, in vluchtelingenkampen in de buurlanden of elders in de wereld. VN-resolutie 194, die Israël oproept om de vluchtelingen te laten terugkeren, is dode letter gebleven.

In de jaren ’50 ontwierp Israël een aantal wetten, zoals ‘de wet op het voorkomen van infiltratie’ om te verhinderen dat Palestijnen zouden terugkeren, en ‘de wetten aangaande eigendom van afwezigen’, die de huizen van de vluchtelingen onder de controle van staatsinstellingen plaatste. Broederlijk Delen en Pax Christi benadrukken dat een oplossing voor de Palestijnse vluchtelingenkwestie, het langst aanslepende vluchtelingenprobleem van de moderne geschiedenis, cruciaal is.

Aanwezige afwezigen

Niet alle Palestijnen verlieten Israël. Ongeveer 150.000 Palestijnen, veelal intern verplaatste personen, bleven op het grondgebied van de staat. Tot 1966 stonden ze onder militair bestuur. Daarna kregen ze het staatsburgerschap. Vandaag maken deze Palestijnse burgers 20% van de bevolking uit. Zoals onze partnerorganisatie Adalah aangeeft, is hun situatie echter allesbehalve ideaal. Velen blijven tot op heden ‘aanwezige afwezigen’. Ze kunnen niet terugkeren naar hun dorpen van oorsprong of hun eigendom opeisen.

Bovendien keurde Israëls ministeriële wetgevende comité een aantal jaar geleden het wetsvoorstel ‘Prawer-Begin’ goed, volgens de regering een goede oplossing voor de aanspraken van bedoeïenen op land in de Negevwoestijn. De realiteit is minder rooskleurig. Deze wet maakt de vernieling van de huizen van 40 à 70.000 bedoeïense burgers van Israël mogelijk, zodat ze zich zullen moeten vestigen in armoedige ontwikkelingssteden, opgericht door de overheid.

Erkenning van dorpen

Israël drijft de bedoeïenen in een hoek. De staat weigert de 35 dorpen te erkennen die vóór 1948 bestonden of kort erna werden opgericht door gevluchte bedoeïenen op een gebied van minder dan 5% van de Negev dat Israël hen had toegewezen. Zij krijgen echter geen bouwvergunningen of toegang tot basisdiensten. Israël beschouwt hen als krakers en ontzegt hen de mogelijkheid om gerechtelijke stappen te zetten. Op de ruïnes van hun voormalige dorpen worden nieuwe dorpen gebouwd, voor joodse burgers van Israël, terwijl de bedoeïenen worden teruggedrongen naar een klein stuk land.

Het Prawer-Beginplan wordt veroordeeld door het Europese Parlement en het Comité van Raciale Discriminatie van de Verenigde Naties. Volgens Adalah zouden al deze dorpen immers worden erkend, indien Israël gelijke criteria zou toepassen voor de erkenning van dorpen van bedoeïenen en joden. De Europese regeringen hebben zich er nog niet tegen uitgesproken. België zou een krachtige daad stellen mocht het dit wel doen, en Israël naar aanleiding van zijn 65e verjaardag aansporen om een democratie te worden voor al zijn burgers.

Veerkrachtige gemeenschappen

Adalah benadrukt tevens dat Israëls beleid van ontheemding van Palestijnse burgers niet losstaat van zijn beleid in de bezette Palestijnse gebieden. Zoals de organisatie aantoont in de documentaire ‘From Al-Araqib to Susiya’, past Israël aan beide kanten van de Groene Lijn een politiek van verplaatsing van Palestijnen toe. Concreet worden Palestijnse gemeenschappen in Israël en in de bezette gebieden geconfronteerd met huisvernielingen, ontzetting uit hun eigendommen en gebrek aan basisdiensten. Aan beide kanten zien we ook veerkrachtige gemeenschappen die zich hier vreedzaam tegen verzetten.