De problematiek van de artisanale mijnbouw

(09-05-2008)

Kolwezi, en meer algemeen de hele provincie Katanga, is gekend om de mijnbouw. Om de socio-economische situatie in Kolwezi de begrijpen is het dus belangrijk de centrale positie van de mijnbouw te kennen en te erkennen. Sinds het einde van de ‘Afrikaanse wereldoorlog’ rond 2004 en met de verkiezingen in het vooruitzicht is het investeringsklimaat in Congo gevoelig verbeterd. De laatste jaren interesseren vele buitenlandse investeerders zich in de winstgevende exploitatie van de Katangese bodemschatten. De heropleving van de industriële exploitatie creëert echter wel een conflict tussen de nieuwe buitenlandse mijnbedrijven en de zogenaamde ‘creuseurs’ die reeds een decennia lang de bodemrijkdom op artisanale manier exploiteren. Dit conflict heeft reeds enkele malen voor opschudding gezorgd, en indien er niet aan een duurzame oplossing voor dit conflict wordt gewerkt zou dit tot (gewelddadige) confrontaties kunnen leiden. Maar waar draait het eigenlijk om?

De problematiek van de artisanale mijnontginning is erg complex, en om ze een beetje te kunnen begrijpen is het belangrijk de voorgeschiedenis te kennen. De mijnontginning (voornamelijk kopererts) kwam in Katanga op gang in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, en werd gecontroleerd door UMHK (Union Minière du Haut Katanga). Na de onafhankelijkheid en de ‘Zaïrisatie’ ging de controle over naar Gécamines (Générale de Carrières et Mines), het Zaïrese staatsmijnbedrijf, die een quasi-monopolie had op de mijnbouw in Katanga. Het eens erg productieve en winstgevende bedrijf geraakte in de jaren tachtig ‘leeggemolken’ door Mobutu en de zijnen, en versterkt door het slecht beheer en etnische en raciale twisten stortte de Gécamines begin jaren negentig in. In 1997 greep Laurant Désirée Kabila de macht in Zaïre – dat vanaf toen terug Congo werd – en verspreide de populaire boodschap dat het nu maar eens gedaan moest zijn dat ‘de elite’ met de winsten uit de mijnbouw aan de haal gingen en dat nu de tijd was gekomen dat de gewone Congolezen van de natuurlijke rijkdommen van hun land zouden kunnen profiteren. Hij riep hen op om de schop en het houweel ter hande te nemen om zo de kostbare ertsen zelf te gaan ontginnen. De artisanale mijnbouw, die tot voorheen bijna onbestaande was in Kantanga, was een feit.

In theorie was Kabila’s socialistisch geïnspireerde oproep zo slecht nog niet, maar in praktijk pakte dit anders uit. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de diamantontginning dient er bij het ontginnen van koper- en kobalterts letterlijk ‘tonnen’ verzet te worden. Alvorens er met een schop en een houweel iets gedaan kan worden moeten er eerst grote gebieden ‘afgegraven’ worden. En hier dringt het eerste probleem zich al op: voor de artisanale exploitatie was de ‘kleine man’ dus afhankelijk van ‘grote mannen’ met bulldozers en kranen om een gebied te prepareren. Als alternatief werd er echter dikwijls gewerkt in reeds bestaande mijnen die het zo goed als failliete Gécamines had achtergelaten. Met schoppen en houwelen konden de ertsen dan (door de mannen) worden uitgegraven en als ‘matière brut’ naar een riviertje vervoerd waar ze dan (voornamelijk door vrouwen en kinderen) gewassen en gesorteerd werden. Vervolgens konden ze dan in zakken worden geladen om te worden verkocht. En hier steekt een tweede probleem de kop op. De artisanale mijnarbeiders zijn niet georganiseerd om hun product op de internationale markt te verkopen, dus zijn ze nog altijd afhankelijk (voor de tweede keer) van ‘investeerders’, die hun product opkopen en het land uitvoerden/smokkelden. Aangezien Congo sinds 1997 in een zo goed als continue 8 jaar lange oorlog was verzeild, was het investeringsklimaat niet bijzonder aangenaam, met als gevolgd dat deze ‘investeerders’ nogal dubieuze figuren waren. Libanezen en Congolezen kregen vanaf het begin van de eenentwintigste eeuw het gezelschap van Indiërs en Chinezen, die – gemotiveerd door de stijgende prijs van koper op de wereldmarkt en de ‘boomende’ economie in hun landen van herkomst – steeds meer greep op de handel kregen. Deze ‘investeerders’ konden rustig hun gang gaan zolang ze een deel van hun opbrengsten aan de ‘overheid’ afdroegen – zodat de laatste hiermee haar oorlog kon financieren. Voor de locale bevolking was deze groeiende artisanale exploitatie een bron van werkgelegenheid. In de artisanale mijnbouw konden mensen snel (op een dag tijd) relatief veel geld (enkele dollars) verdienen, hetgeen niet mogelijk was met welke andere activiteit dan ook (landbouw, visserij,…). Dit had tot gevolg dat een groot deel van de bevolking (inclusief vrouwen en kinderen) hun ‘traditionele’ activiteiten (landbouw, visserij, naar school gaan voor de kinderen) verlieten om onder niet altijd even veilige omstandigheden in de artisanale mijnbouw te gaan werken. Met het eind van de ‘Afrikaanse wereldoorlog’ rond 2004 en met verkiezingen in Congo in het vooruitzicht klaarde het investeringsklimaat op en geraakte ook Westerse mijnbedrijven geïnteresseerd in de exploitatie van Katanga’s natuurlijke rijkdommen. Met een interim-regering werden soms duistere en altijd ontransparante contracten afgesloten. Dikwijls ging het om zogenaamde ‘joint ventures’, een samenwerking tussen een westers mijnbedrijf – dewelke kapitaal en expertise inbrengt – en de overblijfselen van de Gécamines – dewelke de concessie en wat oud en verroest materiaal inbrengt. Dit is misschien geen onbelangrijk punt te weten dat in de meeste van de mijnactiviteiten hier het staatsbedrijf Gécamines – en dus de Congolese staat – nog steeds een aandeel in hebben en dus ook aanspraak maken op een deel van de winsten. Maar goed, vanaf 2005 werden dus concessies verkocht – te beginnen bij de reeds bestaande mijnen – waarbij de Congolese regering uitging van de theoretische werkelijkheid dat deze mijnen in het ‘bezit’ waren van Gécamines, hierbij voorbijgaand aan het feit dat het overgrote deel van deze mijnen reeds jarenlang door artisanale mijnbouwers werd ontgint. Dus wanneer de westerse bedrijven hier aankwamen vonden ze op hun concessie – waar zij dus recent het exclusieve exploitatierecht hadden verworven – dat er reeds anderen exploiteerden. De activiteiten van deze artisanale mijnbouwers – hoewel waarschijnlijk nooit officieel erkent – werden door de ‘overheid’ jarenlang gedoogd, maar werden nu van de ene dag op de andere ‘illegale mijnwerkers’ en werd hun aanwezigheid en activiteit als een probleem beschouwd.

Tijdens de onderhandeling voor de verdeling van de mijnconcessies werden de artisanale mijnwerkers grotendeels over het hoofd gezien – temeer omdat ze geen officiële vertegenwoordiging hebben – maar ze werden niet helemaal vergeten. Op 60km van Kolwezi – in Kawama en 2 andere plaatsen – werd er 3 concessies voorzien voor de artisanale mijnbouwers. De ‘couverture’ (het klaarmaken/afgraven van het terrein) en de aankoop zou gebeuren door twee kleine bedrijfjes (een Congolees en een Indisch als ik het goed begrepen heb), en de exploitatie zelf zou dus voor de rekening van de artisanale mijnbouwers zijn. Gezien de afstand (60km) en het gebrek aan faciliteiten lopen de meeste artisanale mijnwerkers in en rond Kolwezi niet echt warm om hun activiteiten in Kolwezi te verlaten en naar Kawama te gaan. Daarenboven komt het feit dat de ‘couverture’ door de twee bedrijfjes nog niet voltooid is, dus al zouden ze willen, kunnen de artisanale mijnbouwers in Kawama nog niet aan de slag.

Na deze ‘kritiek’ op de mijnbedrijven dien ik er volledigheidshalve aan toe te voegen dat het niet al slecht is wat deze (westerse) bedrijven brengen. Ze creëren werkgelegenheid, betalen behoorlijke salarissen, zien toe op de veiligheid en de gezondheid van hun werknemers, en investeren ook aanzienlijke sommen (niettegenstaande miniem in vergelijking met hun werkbudget) in de sociale sector. Zo financiert het Australisch-Canadees mijnbedrijf Anvil Mining de NGO Pact Congo voor het uitvoeren van sociale projecten met een maandelijks budget dat het dubbel is van het jaarbudget van Arderi (de NGO waar ik voor werk). Verder financieren de bedrijven ook overheidsinstanties, zoals Saescam, een bureau opgericht voor de ‘herintegratie en heroriëntatie’ van artisanale mijnwerkers. Deze overheidsinstelling – zoals bijna alle anderen – werkt echter voor geen meter, en het enige objectief waar ze in slagen is het vullen van hun eigen zakken.

Ik zou kunnen besluiten dat – afgezien van de aanzienlijke problemen zoals landonteigeningen en stijgende prijzen – de bevolking in het algemeen het er niet slechter op heeft sinds de aanwezigheid van de grote mijnbedrijven, dewelke de economische heropleving van Kolwezi heeft veroorzaakt. Het grote probleem is de ongelooflijk zwakke en ontransparante overheid (op alle niveaus) die enkel direct eigenbelang lijken na te jagen en die de bevolking niets dan problemen bezorgen. Ook de herziening van de mijncontracten dient dus met een kritisch oog te worden bekeken, aangezien de herschikking – zeker sinds de monsterlening van China aan Congo – nu duidelijk verloopt in het belang van Chinese bedrijven – dewelke nu niet bepaald beroemd zijn voor hun respect voor mensenrechten.

 

Untitled Document

nieuwsbrief facebook you tube twitter

Deodora_goudmijn

Blogs - Geluiden uit het Zuiden

>> Lees alle blogs

Aanmelden