Over voedselzekerheid en lokale landbouw
(01-10-2008)
Het voorbije jaar 2007-2008 werd voor Senegal een moeilijk jaar met de wereldwijde stijging van de energie- en voedselprijzen: Dakar werd een paar keer opgeschrikt door voor dit land vrij heftige voedselrellen. Het land betaalt de tol voor de jarenlange (politieke) keuze voor import van goedkoop voedsel en verwaarlozing van het eigen platteland. Alhoewel het regenseizoen dit jaar uitstekend mag genoemd worden en er voldoende voedsel zal zijn voor het komende jaar, heeft Senegal een probleem omdat het door deze jarenlange politiek van goedkope import nauwelijks nog lokaal consommeert. Het is een land dat de voorbije decennia geleerd heeft om goedkope rijst te consommeren dat het zelf niet produceert en nooit zal kunnen produceren. En zomaar de consommatieknop omdraaien blijkt geen evidentie.
Door deze wereldwijde evolutie is lokale landbouwproductie ineens weer belangrijk geworden. Wereldbank en Internationaal Muntfonds hadden de bui al zien hangen en hebben vorig jaar hun discours reeds aangepast. Vele Afrikaanse landen hebben dat discours meteen overgenomen en tevens hun minister van landbouw vervangen om dit nieuwe discours ook een nieuw gezicht te geven.
Maar wat is er in feite gebeurd? De voorbije 25 jaar werden de arme landen gedwongen om mee te stappen in het verhaal van de vrije wereldmarkt als oplossing voor hun armoedeprobleem en ze moesten hiervoor hun weinig efficiënte steun aan de landbouw afbouwen. Dit scenario leek 25 jaar lang heel evident en logisch. Nu dit proces van afbouw zo goed als afgerond is, met als gevolg dat er nog nauwelijks geproduceerd wordt door de boeren in arme landen (die gemiddeld goed zijn voor drie kwart van de bevolking), blijkt de lokale landbouwproductie ineens uiterst belangrijk en een nieuwe topprioriteit voor de wereldwijde strijd tegen de armoede.
Met deze zowel plotse als onverwachte wending blijken organisaties als Broederlijk Delen ineens weer brandend actueel: de beleidsverandering op internationaal niveau en op niveau van de afzonderlijke landen waar we al jarenlang om vragen zijn nu ineens door omstandigheden een evidentie geworden en het werk met boeren voor een grotere voedelzekerheid een prioriteit. Toch is de strijd nauwelijks gestreden, want in eerste instantie wordt gedacht aan grootschalige landbouwproductie met kapitaalkrachtige bedrijven en worden de bestaande kleine familiebedrijven van de boeren gewoon vergeten. Terwijl juist die kleine boeren het verschil kunnen maken: in alle omstandigheden, ook de allermoeilijkste, blijven zij bovenal boer en produceren ze voedsel. Bovendien produceren ze veel duurzamer dan grootschalige kapitaalkrachtige bedrijven. Waarom dan geen rekening houden met deze massa’s kleine boeren?

