Het land, de mensen, mijn werk

(04-04-2008)

Ik ben hier nu bijna drie weken en heb al heel wat meegemaakt en gezien. Vele indrukken, vele nieuwe contacten. Vaak choquerende dingen, maar ook heel vaak motiverende dingen. Rwanda is misschien wel een ontwikkelingsland, maar alleszins ook een land dat volop in ontwikkeling is. Er is wel degelijk een toekomst en er is wel degelijk hoop.

HET LAND

Rwanda is werkelijk een wondermooi land. De vele heuvels die bezaaid zijn met terrassen en bananenbomen. De roofvogels en ontelbare andere vreemde vogelsoorten die je hier om de oren vliegen. Het Kivumeer dat op sommige plekken een waar paradijs is. De Nyabarongo die tussen de heuvels slingert. Het klimaat dat warm is maar niet tropisch met op geregelde tijdstippen een deugddoende regenbui. De steden met hun gezellige Afrikaanse drukte. Ik kan zo nog een tijdje verdergaan.

Het is echter ook een land dat getekend is door het verleden. De genocide speelt nog altijd een heel belangrijke rol in het dagelijkse leven van de Rwandezen. Mensen zijn vaak erg bang. Bang voor hun buren. Bang voor de moordenaars van hun familie die eventueel kunnen terugkomen. Bang voor het gerecht dat niet altijd rechtvaardig handelt en waar corruptie weelderig woekert. Bang om opgesloten te worden omwille van een uitspraak die ergens verkeerd gevallen is. Het land likt op vandaag nog steeds zijn wonden van de oorlog en van de daaropvolgende genocide.

De genocide was van een omvang die voor ons moeilijk te vatten is. Iedereen was dader of slachtoffer. Het was moorden of vermoord worden. Er was geen andere optie. Ook de manier waarop is te gruwelijk voor woorden. Zelfs kinderen (ook baby’s) werden genadeloos afgeslacht. Dit betekent dat iedereen die de genocide meegemaakt heeft dit voor de rest van zijn of haar leven meedraagt. Ofwel heeft men zelf gemoord, ofwel heeft men zien moorden, ofwel heeft men familie en vrienden verloren, ofwel zitten er nu familie en vrienden (al dan niet terecht) in de gevangenissen (vaak is het zelfs een en-verhaal). En als men er dan toch in geslaagd is om aan de moordpartijen te ontsnappen, heeft men het allemaal moeten laten gebeuren. Voor iedereen was de genocide sowieso een traumatische ervaring. Het was geen ‘gewone’ oorlog (voor zover een oorlog ‘gewoon’ te noemen is). Er was geen leger of een rebellengroepering die het land binnenviel en een volk uitmoordde. Het waren vaak gewone mensen, gewone boeren die nooit verder geweest zijn dan hun eigen dorp die hun buren en kennissen vermoordden. Ze werden opgejut en geconditioneerd. Minstens 800.000 doden, vermoord op een gruwelijke manier. En het Westen heeft het allemaal laten gebeuren. Het was maar Afrika (in Rwanda is er trouwens geen enkele noemenswaardige grondstof te vinden). Als mensen hier over de genocide beginnen eindigen ze vaak met ‘ce sont des choses difficile à comprendre’. Ze hebben het ook zelf nog moeilijk om het te begrijpen.

Vandaag wordt in principe niet meer gesproken over Hutu’s en Tutsi’s, enkel over Rwandezen. Nochtans weet iedereen hier nog steeds heel goed wie Hutu en wie Tutsi is. Het onderscheid is trouwens volledig artificieel. In het verleden gebeurde de verdeling op basis van een aantal fysische kenmerken. Daarna was men Hutu en Tutsi volgens geboorte. Doorheen de jaren zijn die fysische kenmerken echter vaak volledig verdwenen en is het onderscheid zelfs niet meer fysiek vast te stellen. Zowel Hutu’s als Tutsi’s spreken dezelfde taal en ook met religie heeft het onderscheid niets te maken.

Ik vind het belangrijk om het ook in deze nieuwsbrief aan te halen om duidelijk te maken waarom het nog steeds zo’n belangrijke rol speelt in het leven van de mensen hier. Dit is niet iets dat na 14 jaar vergeten is, integendeel. Het is bijna april. De maand waarin alles gebeurde. Ieder jaar wordt hier een herdenkingsweek gehouden. Het is een week van nationale rouw en vele plechtigheden.


DE MENSEN

Rwanda is ‘le pays des mille collines’, maar ook ‘le pays des mille sourires’. In het begin lijken ze hier vaak wat nors, maar eens je ze begroet, verschijnt meestal een enthousiaste glimlach.

Blanken zijn hier uiteraard nog steeds een curiositeit. Het is wat wennen om constant aangestaard te worden. De kinderen zijn wel makkelijkst die roepen luid ‘Mzungu’ (blanke) en beginnen enthousiast te zwaaien. De volwassenen staren eerder en beginnen onder elkaar over de Mzungu te praten. Je kan hier wel nooit eens gewoon opgaan in de massa. Efkes uitrusten langs de kant van de weg nadat je net een steile heuvel beklommen hebt, is moeilijk want in een mum van tijd ben je omsingeld door een bende kinderen. Het is wel een verschil met Zuid-Afrika waar ik al enkele keren geweest ben. Hier val je op gewoon omdat je blank bent, terwijl je in Zuid-Afrika opviel omwille van hetgeen je als blanke deed.

Rwanda staat bekend als één van de armste landen ter wereld. Er is echter al heel veel aan het veranderen. Momenteel slagen de boeren erin om hun eigen gezin van voedsel te voorzien (althans toch de boeren die ik al ontmoet heb). Het is heel motiverend om te zien hoe dynamisch en hoopvol die boeren zijn. Ze werken keihard en als ze geluk hebben, slagen ze er in om wat overschot te hebben dat ze kunnen verkopen op de markt. Ze zijn constant op zoek naar nieuwe gewassen die misschien een hoger rendement kunnen hebben en naar adviezen om hun huidige productie te verbeteren. Van de zogenaamde ‘Afrikaanse laksheid’ waar men mij vaak voor waarschuwde is bij de boeren alleszins niets te merken.

Er wordt ook heel vaak samengewerkt in coöperatieven. Verschillende boeren werken samen om bijvoorbeeld een bepaald gewas te cultiveren, om artisanaat te maken, om terrassen aan te leggen of om ananaswijn te maken. Op die manier krijgen ze wat geld samen waarmee het schoolgeld van de kinderen kan betaald worden of kunnen ze met hun kas kleine leningen geven aan boeren die een tegenslag gehad hebben of die net die extra investering nodig hebben om hun ‘zaakje’ verder uit te bouwen. Een heel boeiend systeem. Het is een sociale zekerheid op kleine schaal met een grote solidariteit tussen de boeren die lid zijn van eenzelfde coöperatieve.

Ik ben hier uiteraard pas drie weken en heb nog niet alles gezien, maar het is volgens mij een land volop in ontwikkeling en het gaat de goede kant op. De mensen waarmee ik hier het meest contact heb zijn waarschijnlijk mensen die het iets beter hebben dan de gemiddelde Rwandees. Niet alle mensen kunnen hier Frans en de lokale taal (Ikinyarwanda) beheers ik (nog) niet. Als ik dus met de lokale boeren wil spreken is er vaak een vertaler nodig. Toch heb ik ook al enkele gesprekken gehad met leden van boerengroeperingen op het platteland en ook zij zien de toekomst vaak heel rooskleurig in. Iedere keer worden verhalen verteld van langdurige periodes uit het verleden met hongersnood en ziektes. Dergelijke situaties komen nu toch al een heel stuk minder voor. Een slechte oogst of lange periodes van droogtes kunnen er echter voor zorgen dat de situatie snel terug verandert.


HET PROJECT

Het project waarvoor ik hier naartoe gestuurd ben door Broederlijk Delen heet Pandamu. Broederlijk Delen wil projecten ondersteunen die opgezet zijn door mensen uit het Zuiden. Het is dus geen project dat door Broederlijk Delen in Rwanda is opgezet, maar wel een lokaal Rwandees project dat door Broederlijk Delen ondersteund wordt.

Pandamu is eigenlijk een overkoepelende organisatie van verschillende coöperatieven in een bepaald gebied. Ze begeleiden de leden van de verschillende coöperatieven met technische adviezen over hun gewassen of over hun vee. Er wordt aan de coöperatieven ook aangeleerd hoe ze op een betere manier aan landbouw kunnen doen op de hellingen hier, bijv. door de aanleg van terrassen. Als men geen terrassen aanlegt stroomt het water langs de helling naar beneden en neemt het in zijn stroom heel wat vruchtbare grond mee. Door de terrassen kan het water in de grond opgenomen worden en wordt de erosie van de helling tegengegaan.

Meer en meer wil men ook gaan werken met rollende fondsen. Dit zijn kleine leningen die gegeven worden aan boeren om bijvoorbeeld zaad, grond of een stuk vee aan te kopen. Dit zijn systemen die lijken te werken en men wil ze dan ook verder gaan uitbouwen. Één van mijn taken hier is helpen bij het ontwikkelen van duidelijke regels en afspraken over het gebruik van deze rollende fondsen. Deze fondsen vragen ook de nodige opvolging en ook daarop moet de organisatie zich organiseren.

De boeren voelen zich alleszins heel erg gesteund door Pandamu en het is voor hen een hele geruststelling dat ze op de expertise van Pandamu kunnen rekenen. Onlangs woonde ik een vergadering bij van de voorzitters en medewerkers van een 20-tal coöperatieven (ongeveer 50 personen) uit één regio. Daar kon men aangeven wat hun voornaamste uitdagingen en problemen waren. Nooit werd louter geld of ‘cadeaus’ gevraagd. Men vroeg wel adviezen en eventueel zelfs korte studiereizen om te zien hoe ze hun eigen werking kunnen optimaliseren. Ook de mogelijkheid om kleine leningen te krijgen is iets dat vaak gevraagd werd (voor de normale banken zijn ze niet kredietwaardig genoeg). Bij de coöperatieven die op vandaag al kleine leningen geven aan hun leden zijn er nog nooit problemen geweest met de terugbetaling van die lening. Het gaat dan ook om de spaarcenten van de groep waartoe ze behoren.

Het kantoor van Pandamu is gelegen in een dorpje op het platteland. Er is al drie weken geen elektriciteit in het kantoor omdat iemand er de elektriciteitskabels heeft gestolen. Iedere week krijg ik bericht dat het diezelfde week nog in orde zal komen. Ik wacht af. Gelukkig kan ik wat mijn plan trekken in mijn verblijfplaats (in de nabijgelegen stad) om toch het een en ander gedaan te krijgen. ‘Se débrouiller’ is een werkwoord dat hier nogal veel gebruikt wordt.

 

Untitled Document

nieuwsbrief facebook you tube twitter

Deodora_goudmijn

Blogs - Geluiden uit het Zuiden

>> Lees alle blogs

Aanmelden