De hoge prijs van een lapje grond
(22-02-2008)Anders dan wat de media doen vermoeden zijn de FARC niet de énige gewapende actoren in het burgerconflict in Colombia. Evenmin zijn hun 750 gijzelaars en hun familie de enige slachtoffers. Een grote groep vergeten slachtoffers van het conflict zijn de interne vluchtelingen. In Colombia zijn ondertussen 3.8 miljoen mensen gevlucht voor het geweld dat al meer dan vier decennia lang aansleept. Na Soedan telt Colombia het grootste aantal interne vluchtelingen ter wereld.
Vele families en gemeenschappen zijn al jaren op de vlucht en terugkeren blijkt vaak onmogelijk. Achtergelaten dorpen en velden worden platgebrand, geplunderd en ingenomen. Vorige week startte een proces rond het onwettig in beslag nemen van gronden in de grensregio met Panamá. Wat hier volgt is het verhaal van één regio die helaas erg veel gelijkenissen vertoont met het lot van de andere miljoenen vluchtelingen in Colombia.
Deze vrouw, afkomstig van Pueblo Nuevo in de Chocó, werd al vier keer het slachtoffer van gedwongen ontheemding. (Foto: Jorge Mata, Surimagenes/IPA)
Achergrond
Urabá is de noordwestelijke regio van Colombia die verbonden is met Panama en de Cariben. Het is een arme, afgelegen landbouwstreek, die echter ook strategisch ligt voor het transport van drugs, wapens en strijders met verschillende achtergronden. In 1996 openden de paramilitairen en het regeringsleger gezamenlijk een grootschalige militaire klopjacht op de Farc. Die operatie kreeg de naam “Operatie Génesis” mee en bestond uit bombardementen en economische blokkades, plunderingen, verkrachtingen, martelingen en moorden. Niet alleen de guerrilla werd hierdoor verdreven maar ook 17.000 bewoners van de grensregio met Panamá gingen op de vlucht.
Op de gedwongen exodus van de boerengemeenschappen in de regio, volgde de intrede van de grootschalige industriële teelt van de Afrikaanse palm. Families die terug op zoek gaan naar hun gronden en eigendommen stoten steevast op immense palmplantages.
De teelt van de Afrikaanse palm is een antwoord op de wereldwijde vraag naar biobrandstoffen. De Colombiaanse president Uribe ziet in de export van palmolie een mogelijkheid om Colombia op de economische wereldkaart te plaatsen. Met de steun van de de VS wordt palmolie ook gepromoot als alternatief voor de illegale cocateelt in de regio.
Een inwoner van de Río Curvaradó velt een Afrikaanse palm die zich op de gronden van de Afrocolombiaanse gemeenschappen bevindt.
(Foto: Jorge Mata, Surimagines/IPA)
De opmars van de biobrandstoffen wereldwijd en de zoektocht naar gronden om die energiegewassen te verbouwen heeft echter nefaste effecten in landen zoals Colombia. De monocultuur van Afrikaanse palm in de Chocó vormt er de oorzaak van sociale en ecologische catastrofes. Lokale gemeenschappen worden ontheemd, waterlopen omgeleid, rechten van arbeiders op grote schaal geschonden, grote stukken regenwoud worden omgekapt voor een monocultuur die de biodiversiteit in de regio teniet doet.
Río Jiguamiandó, in de Chocó. Tweede plaats met de grootste biodiversiteit ter wereld.
(Foto: Jorge Mata, Surimagenes/IPA)
De inwoners van de regio maakten al eerder kennis met een andere monocultuur. Vijftig jaar vóór de Afrikaanse palm deed de Amerikaanse United Fruit Company er zijn intrede. De overeenkomsten tussen de teelt van de Chiquita bananen en de palmolie zijn frappant. Beide sectoren worden gekenmerkt door een gebrek aan respect voor de rechten van arbeiders en de lokale gemeenschappen en worden beschuldigd van samenwerking met paramilitaire groepen, die in het gebied honderden moorden en verdwijningen begingen. Chiquita werd vorig jaar in de VS. veroordeeld tot het betalen van een boete van 25 miljoen dollar. Het bedrijf gaf toe dat ze tussen 1997 en 2004 meer dan 1.7 miljoen dollar betaalden aan de paramilitaire AUC in ruil voor ‘bescherming’ van hun plantages. De familieleden van 387 slachtoffers van de AUC openden onlangs een eis tot schadevergoeding van Chiquita.
Zonas Humanitarias
Meer dan 93% van de oppervlakte van de palmplantages in el Chocó werd illegaal in beslag genomen en hoort toe aan de –grotendeels afrocolombiaanse - gevluchte inheemse gemeenschappen. Als rechtmatige eigenaars zien zij zich verplicht om zich elders te vestigen. Dit doen ze in “Zonas Humanitarias”, zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke gronden van de gemeenschappen. Vaak zijn dat een soort vluchtelingenkampen met woningen opgetrokken uit hout en plastic. De leefomstandigheden zijn er precair: geen onderwijs, gezondheidszorg, werkgelegenheid enz. De staat trekt zich weinig tot niks aan van hun situatie. Buiten de levering van voedselpakketten bleef tot nu toe alle structurele hulp uit. Van daaruit eisen ze hun gronden terug op en hun recht op neutraliteit. Net als de vredesgemeenschappen van bijvoorbeeld San José de Apartadó betalen ze daar een hoge prijs voor.
Conflict en economische belangen
De humanitaire zones vechten elke dag voor hun rechten en grond. De paramilitairen en het leger verdenken hen van banden met de guerrilla, houden dan ook geregeld razzia’s en verbieden economische activiteiten binnen en tussen de verschillende zones. Bovendien worden de gemeenschappen voortdurend onder druk gezet door de palmoliebedrijven. Zij dulden geen pottenkijkers zo dicht bij hun plantages en proberen nu ook de gronden van de humanitaire zones in te palmen. Al lange tijd bestaat het vermoeden dat bovenstaande partijen onder één hoedje spelen, dat de ontheemde gemeenschappen moeten opboksen tegen een tegenstander die de belangen van staat, palmoliebedrijven en paramilitairen verenigt.
De straffeloosheid waarin de palmoliebedrijven kunnen opereren, de kredieten die de nationale bank hen aanbiedt, de bescherming van het leger die ze genieten, de zogenaamd gedemobiliseerde paramilitairen die van de regering een herkansing krijgen binnen de nieuwe boomende sector van de Afrikaanse palm, al deze elementen wijzen op banden tussen de verschillende partijen.
De strijd die de gemeenschappen vanuit de humanitaire zones leveren, werpt zijn vruchten af. Meer dan twee jaar na de eerste aanklachten, ging begin februari eindelijk het onderzoek van start tegen 23 zaakvoerders van palmoliebedrijven, die zich onrechtmatig gronden van de zwarte gemeenschappen in Chocó toe-eigenden. De getuigenissen bevestigen dat de paramilitairen opereren in opdracht van de bedrijven en ook verantwoordelijk zijn voor de gedwongen ontheemdingen van de lokale gemeenschappen. Het proces wordt op de voet gevolgd door PBI, een partner van Broederlijk Delen die onder andere in deze streek een permanent team internationale waarnemers heeft. In september 2007 vertrok een Broederlijk Delen-vrijwilligster naar Colombia om er een jaar bij PBI werkzaam te zijn, o.a. in de streek van Urabá. De Bond schreef er een artikel over.

