Hindutva ’s toorn tegen de christenen in Orissa

(10-10-2008)

Wat volgt is een gedeeltelijke vertaling van het artikel verschenen in de ‘Economic & Political WEEKLY,
September 13, 2008 p. 16-19

Pralay Kanungo (pralaykanungo@yahoo.com)
Centre for Political studies
Jawaharlal Nehru University, New Delhi

De laatste week van augustus was horror voor de christelijke minderheden van Orissa. Ze beleefden het ergste communautaire geweld ooit – kerken werden in brand gestoken, christelijke instituten, weeshuizen en gehuchten werden vernield, pastors en religieuzen werden aangevallen. Duizenden christenen ontvluchtten hun huizen en verschuilden zich in het woud. Het geweld bleef niet beperkt tot het district Kandhamal, maar deed zich ook voelen in andere districten.
Al dit geweld volgde op de nacht van 23 augustus toen controversieel Vishwa Hindu Parishad  (VHP) leider Laxmanananda Saraswati en vier van zijn volgelingen werden vermoord door een groep gewapende moordenaars, terwijl ze in hun ashram het feest Janmashtami  vierden.
Wie doodde Laxmanananda? Verschillende theorieën doen de ronde. Maoïsten beweerden dat zij het waren en dat ze hem doodden omdat hij religie met politiek vermengde en een fascistische en verdeeldheid zaaiende communautaire agenda volgde. De Sangh parivar  beschuldigde een christelijke samenzwering en legimiteerde hun terreur als passende weerwraak. Anderen geloven dat de moord uitgedokterd werd door een deel van de parivar zelf om bij de komende verkiezingen een electoraal voordeel voor de Bharatiya Janata Party  (BJP) te rapen.

Laxmanananda en zijn missie

Laxmanananda sloot zich aan bij de in 1966 pas opgerichte VHP als hindoemissionaris. In 1969 kwam hij naar Kandhamal met een tweevoudig doel: de adivasis bekeren tot het hindoeïsme en het proselytisme van christelijke missionarissen tegengaan. Saraswati richtte zich tot de adivasis - vooral de Kandha die meer dan de helft van de bevolking van Kandhamal uitmaken - om ze nader tot de Hindutva te brengen. Onder het mom dat ‘vanavasis  hindoes zijn’, introduceerde hij op systematische wijze hindoegoden en –godinnen, religieuze hindoeschriften en erediensten. Hij organiseerde ook massabijeenkomsten die de Kandha in grote getale aantrokken en mobiliseerden. Laxmanananda opende scholen, colleges, studentenhuizen voor adivasi jongens en meisjes; de Sangh parivar vormde ze ideologisch. Hoewel hindoeïsering niet zo meteen socio-economische voordelen voor de arme adivasis met zich meebracht, gaf het door de VHP verpakte hindoeisme de adivasis een vorm van religieuze en culturele voldoening. Daarnaast gaf Laxmanananda’s demonisering van de christelijke Pana, de traditionele rivalen van de ‘hindoe’ Kandha, de Kandha een reden om deel uit te maken van de Hindutva. Eens het proces van hindoeïsering op gang gebracht, organiseerde Laxmanananda ‘herbekeringen’ van de christelijke bekeerlingen naar het hindoeisme.
Laxmanananda’s agenda had vele gevolgen. Ten eerste counterde hij door een alternatief hulpverleningssysteem in het leven te roepen de christelijke missionarissen die tevoren het monopolie op onderwijs en gezondheidszorg bezaten, zodat ze gedwongen waren competitiever te worden om hun invloed te bewaren. Ten tweede zagen de christelijke missionarissen zich genoodzaakt hun strategieën aan te passen om op te kunnen tegen de agressieve hindoeïsering en militante herbekeringen. Nieuwe christelijke groepen kwamen en startten nieuwe kerken. Energieke evangelische groepen bloeiden, de ‘laid back’ katholieke kerk achter zich latend. Ten derde verdeelde de militante hindoeïsering de adivasis en dalits. Laxmanananda zette op succesvolle wijze de ‘hindoe’ Kandha op tegen de christelijke Pana.

Kandha-Pana etnische verdeeldheid

De verdeeldheid tussen de Kandha en de Pana is niet nieuw. In het verleden zagen de Kandha – de oorspronkelijke inwoners van Kandhamal – zich als koningen en de geïmmigreerde landloze Pana van de vlakten als hun onderdanen. De kolonisatoren wijzigden dit scenario door landhervormingen door te voeren en de woudrechten aan de Kandha te ontnemen. De Kandha, die direct contact met de buitenwereld vermeden, gebruikten de Pana als tussenpersonen. Tegelijkertijd misprezen ze de Pana en noemden hen leugenaars, bedriegers en hypocrieten. Misschien had de vijandschap ook te maken met het feit dat sommige Pana relatief succesvol waren, winsten maakten met kleinhandel en onder de koloniale heersers zelfs land verwierven. De Kandha zagen de Pana tot uitbuiters en landdieven.

In de postkoloniale periode verhoogde de spanning door de perceptie dat de Pana door hun hogere scholingsgraad en economische voorstand, met hulp van staat en kerk maximum voordeel konden halen uit de grondwettelijke reservaties . Deze indruk is niet helemaal juist gezien de meerderheid van de Pana arm zijn en bovendien als christenen geen recht op de reservaties  hebben. De Kandha beweren echter dat de Pana hun christelijke identiteit verbergen en valse certificaten voorleggen om zich als scheduled tribes of hindoe scheduled castes voor te doen. De Kandha vrezen dat de Pana erop uit zijn om hen economisch, politiek en cultureel te overheersen.
Het is een feit dat een klein gedeelte van de geschoolde Pana een functie in administratie of politiek heeft kunnen bemachtigen. In een arm district vallen deze enkelingen erg op. Ze zijn een rolmodel voor de arme Pana en verhogen hun zelfvertrouwen en ambitie.
Hogere kasten hindoes vinden de groeiende assertiviteit van de Pana, die eens onaanraakbaar waren en onderaan de sociale ladder stonden, moeilijk te verteren, niet alleen in Kandhamal, maar ook in andere delen van Orissa. In Kandhamal hebben de hindoes van de hogere en middenklasse en de Sangh parivarleiders, beiden nieuwkomers in de regio, een symbiotische relatie. Allen zien ze de Pana als een bedreiging voor hun heerschappij; ze verkiezen een volgzame Kandha boven een provocerende Pana; het gaat hierbij niet zozeer om de religie van deze laatste, maar om het feit dat hij beter geinformeerd en bewuster is. Maar religie wordt gebruikt als extra stok om de dalit Pana te slaan. Vandaar dat de Sangh parivar, in samenwerking met de hogere kastenelite en de kleine bourgeoisie, de Kandha als hindoes mobiliseert tegen de Pana.

Communautaire confrontatie

Aldus werd de etnische verdeeldheid tussen Kandha en Pana op handige wijze omgezet in een conflict tussen hindoes en christenen. Vooral sinds de jaren ‘90 zijn er periodieke uitbarstingen van etnisch geweld in Kandhamal. Gedurende de Ramjanmabhoomi  opschuding werden kerken beschadigd, hoewel de christenen niets te maken hadden met de Babri moskee. Terwijl overal elders het geweld tegen moslims gericht was, was het in Kandhamal tegen christenen gericht, wat te verklaren valt door de verwaarloosbare moslimpopulatie in dit district.

In 2007 werd de situatie erger toen de Pana scheduled tribe-status vroegen omdat ze evenals de Kandha de Kui-taal spreken. Dat hun rivalen niet enkel hun economische, maar ook hun culturele rijkdom zouden inpikken, wekte de woede van de Kandha. De Sangh parivar startte algauw een campagne tegen de eisen van de Pana en mobiliseerde de Kandha in de Kandhamal Kui Samaj. Zo startte de geweldadige hindoe-christen confrontatie op kerstavond 2007. Christenen namen toen voor het eerst wraak. Sommige huizen van hindoes werden in brand gestoken.

De recente rellen overtroffen echter alle vorige. De BJD-BJP-coalitie in Orissa slaagde er niet in het leven en de bezittingen van de christelijke minderheden te beschermen. De BJD eerste minister gaf toe aan de politieke druk. De chef van de districtpolitie werd geschorst en de parivar had de handen vrij om christelijke minderheden te doden en te terroriseren. Pravin Togadia van de VHP kreeg toelating om de begrafenisprocessie van swami Laxmanananda Saraswati te leiden, daarbij haat spuwend en aanzettend tot communautair geweld. De staatsoverheid keek in stilte toe naar het schouwspel van dood en terreur dat 40 levens kostte en duizenden mensen dakloos maakte.
De rol die de centrale overheid speelde was niet veel beter. Het is ongelofelijk dat India’s minister van binnenlandse zaken Kandhamal niet binnenmocht. Verrassend genoeg, verspreidde hij nadien een onverantwoorde en schandelijke verklaring die bijna identiek was aan de versie van de Sangh parivar. Het centrum mag beroep doen op bescherming van de federale overheid alsof het leven en de bezittingen van de burgers minder heilig zijn; Orissa was een geval voor Artikel 355 . Daarenboven besloot de Congres Partij, die in Orissa in de oppositie zit, om in plaats van de minderheden ter hulp te komen, een motie van wantrouwen tegen de regering uit te vaardigen, wat de regerende coalitie nog meer verenigde. Sommige progressieve, seculiere individuen, burgerverenigingen en communistische/socialistische verenigingen stonden op om tegen het geweld van de Sangh parivar en de stilte van de staat te protesteren, maar het protest was zwak en weinig effectief. Orissa’s burgermaatschappij was in meer of mindere mate stil.

Communautarisering van de burgermaatschappij

Deze stilte is een symptoom van een ernstige malaise – de uitbreiding van de Hindutva-ideologie in Orissa. De groei van de RSS  is spectaculair en partnerorganisaties van de RSS zijn te vinden in elke sector van de burgermaatschappij. De pers, die vroeger seculier was, heeft het Sangh-discours geinternaliseerd. Door steun van de BJP heeft de RSS toegang tot staatsmacht en geldbronnen. De parivars continue anti-christencampagne, die blijft hameren op de bekeringen in tribale gebieden, heeft tot verdeeldheid in Orissa geleid. Inwoners van Orissa mogen niet vergeten dat de christenen een belangrijke rol speelden in de vorming van het moderne Orissa. De christelijke missionarissen richtten de eerste geschreven pers op, schreven Oriya-woordenboeken, openden scholen, ziekenhuizen en weeshuizen en werkten onvermoeibaar in onherbergzaam gebied voor de armen gedurende meer dan een eeuw. Ja, bekeringen vonden plaats, maar indien deze het enige agendapunt vormden, zou het percentage christenen niet beperkt zijn gebleven tot 2,4%. De herinnering aan de positieve rol van het christianisme werd systematisch door de RSS uitgewist.
Ofschoon Orissa een overweldigende hindoemeerderheid telt, waren er geen communautaire rellen tot in 1964, in Rourkela.Daarna kwamen ze meer en meer voor; Cuttack 1968 en 1992, Bhadrak: 1986 en 1991, Soro: 1991. Al dit geweld was gericht tegen moslims, terwijl het geweld in Kandhamal anti-christelijk was. De Sangh parivar heeft beide ‘vijanden’ van de hindoe als doelwit: moslims (2,07%), zowel als christenen (2,43%). De anti-christelijke campagne leed tot de moord op Graham Staines en zijn twee zonen in Manoharpur, Keonjhar en op pastor Arul Doss in Jamuboni, Mayurbhanj, in 1999. De regering van Orissa stemde de ‘Orissa Prevention of Cow Slaughter Act ’, 1960 en de ‘Orissa Freedom of Religion Act ’, 1967. Deze beide wetten hielpen de Sangh parivar om hun anti-christelijke agenda verder uit te voeren.

Bekeringscontroverse

Orissa is eeuwenlang onder de hegemonie van de Jagannath -cultuur gebleven; ondanks het vieren van universalisme en syncretisme blijft er een brahmaanse kern.
Ten eerste, als de parivar de christelijke missionarissen ervan beschuldigt hindoes te bekeren, weten ze goed genoeg dat kastenvooroordelen nog steeds wijdverbreid zijn en dat dalits geen toegang hebben tot hindoetempels ondanks de ‘Tempel toegang wet’ van 1947. De Pana van Kandhamal vroegen toegang tot de Shivatempel in 1950. Die werd hen geweigerd. Nu, 50 jaar later, is dat nog steeds zo. Dus, noch verleiding noch geweld is nodig om mensen te bekeren. Het is de hindoehiërarchische onderdrukkende orde die de arme dalits ertoe brengt hun god te veranderen.
Ten tweede, de parivar brengt de rol van vreemd geld in proselytisme naar voor. Maar de VHP staat op de lijst van de begunstigden van de ‘India Development and Relief Fund’, Sangh parivar’s Amerikaanse donoragent.
Ten derde, de parivar beschuldigt missionarissen ervan de bekeerlingen te dwingen hun eeuwenoude tradities terzijde te laten. Ironisch genoeg viel Laxmanananda alle tribale sociale en culturele praktijken aan die niet pasten in de hindoetradities; zo bijvoorbeeld werd de tribale gewoonte om een eigen huwelijkspartner te kiezen veroordeeld als onbeschaafd en met dwang vervangen door het hindoehuwelijksinstituut. Bijgevolg wil de Hindutva het exclusieve recht om de adivasis te proselyteren gezien ze ‘hindoes’ zijn, maar ontneemt ze hen de vrijheid hun eigen god te kiezen.

Besluit

De rellen in Kandhamal hebben de brahmaanse agenda van de Hindutva blootgelegd, waarin geen plaats is voor arme dalits. Dalits in Kandhamal hebben bewust het hindoeïsme verworpen en het christendom omarmt en zij stuiten zo op de woede van de hindutva. In Kandhamal gaat het anti-christelijke en anti-dalit discours van de parivar hand in hand.

 

Untitled Document

nieuwsbrief facebook you tube twitter

Deodora_goudmijn

Blogs - Geluiden uit het Zuiden

>> Lees alle blogs

Aanmelden